Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9370

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
24/7423 en 25/1461
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.E. van Essen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 lid 3 ParticipatiewetArt. 58 lid 1 ParticipatiewetArt. 58 lid 8 ParticipatiewetArt. 6:11 Algemene wet bestuursrechtArt. 120 Grondwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenverplichting

Eisers ontvingen sinds 2012 een bijstandsuitkering en werkten sinds maart 2021 bij een vervoersbedrijf dat klussen voor PostNL uitvoert. Het college trok de bijstand in en vorderde terug vanwege het niet melden van alle gewerkte uren, gebaseerd op rittenregistraties van PostNL en heimelijke observaties.

Eisers voerden aan dat zij minder uren hadden gewerkt dan uit de rittenregistraties bleek en dat de handscanner door meerdere werknemers werd gebruikt. De rechtbank oordeelde dat het college voldoende aannemelijk had gemaakt dat eisers meer uren werkten dan opgegeven en dat de inlichtingenverplichting was geschonden. Medische verklaringen en verklaringen van de werkgever boden onvoldoende tegenbewijs.

Daarnaast wees de rechtbank het beroep tegen de afwijzing van een nieuwe bijstandsaanvraag af, omdat eisers onvoldoende aannemelijk maakten dat zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerden. De termijnoverschrijding van het beroepschrift werd verschoonbaar geacht. De beroepen werden ongegrond verklaard en eisers kregen geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering wegens schending van de inlichtingenverplichting.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 24/7423 en 25/1461

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2026 in de zaken tussen

[eiser], (eiser) en [eiseres] (eiseres), uit [woonplaats], gezamenlijk: eisers

(gemachtigde: mr. M.F. Ziabutt),
en

het college van burgemeester en wethouders van Delft, het college

([gemachtigde]).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering van eisers op grond van de Participatiewet (Pw). Daarnaast beoordeelt de rechtbank de afwijzing van een nieuwe aanvraag om een bijstandsuitkering. Eisers zijn het niet eens met de besluiten van het college en voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering en de afwijzing van de aanvraag om een bijstandsuitkering.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen ongegrond zijn. Dit betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 15 februari 2024 heeft het college de bijstandsuitkering van eisers ingetrokken met ingang van 1 januari 2022 en de ten onrechte verleende bijstand over de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 januari 2024 teruggevorderd tot een bedrag van € 35.839,- (primair besluit 1). Met het besluit van 30 juli 2024 (bestreden besluit 1) op het bezwaar van eisers is het college bij dit besluit gebleven. Eisers hebben beroep ingesteld. Dit betreft het beroep met zaaknummer SGR 24/7423.
2.1.
Met het besluit van 10 mei 2024 heeft het college de aanvraag van eiser om een bijstandsuitkering afgewezen (primair besluit 2). Met het besluit van 7 januari 2025 (bestreden besluit 2) op het bezwaar van eiser is het college bij dit besluit gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld. Dit betreft het beroep met zaaknummer SGR 25/1461.
2.2.
De rechtbank heeft de beroepen gezamenlijk op de zitting van 16 februari 2026 behandeld. Hierbij waren eisers, de gemachtigde van eisers en een tolk aanwezig. Namens het college was de gemachtigde aanwezig, bijgestaan door [naam].

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaan deze zaken over?
3. Eisers ontvingen sinds 1 januari 2012 een bijstandsuitkering naar de norm van gehuwden. Eiser werkte sinds maart 2021 met behoud van zijn bijstandsuitkering bij [bedrijfsnaam] B.V. (de werkgever). Dit is een vervoersbedrijf dat klussen aanneemt van PostNL. In dit kader diende eiser iedere maand een salarisspecificatie in bij het college. Op grond daarvan verrekende het college maandelijks eisers bijstandsuitkering met het salaris.
3.1.
Het college heeft een melding van de Arbeidsinspectie ontvangen. De melding hield in dat uit onderzoek is gebleken dat de verloonde uren van meerdere personen die werkzaam zijn voor de werkgever niet overeenkomen met de rittenregistraties van PostNL. Naar aanleiding van deze melding heeft het college onderzoek verricht naar het recht van eisers op bijstand. Daartoe heeft het college informatie gevorderd bij PostNL. PostNL heeft een overzicht overgelegd van alle geregistreerde ritten die over de periode van 3 januari 2022 tot 20 januari 2024 op naam van eiser zijn gereden. Aanvullend hierop heeft het college over de periode van 12 december 2023 tot en met 30 januari 2024 heimelijke observaties uitgevoerd. Op 31 januari 2024 heeft een hoor- en wederhoorgesprek plaatsgevonden. De resultaten van dit onderzoek, neergelegd in de Rapportage Bijzonder Onderzoek van 14 februari 2024, waren voor het college de aanleiding om primair besluit 1 te nemen.
3.2.
Het college heeft zich in bestreden besluit 1 op het standpunt gesteld dat eiser vanaf 1 januari 2022 meer uren heeft gewerkt bij de werkgever dan hij heeft doorgegeven. Uit de rittenregistratie van PostNL volgt dat op naam van eiser vele uren aan diensten zijn geleverd via de werkgever. Het college gaat ervanuit dat eiser dit werk heeft uitgevoerd. Het ligt volgens het college op de weg van eiser om zijn stelling dat hij minder uren heeft gewerkt dan in rittenregistratie van PostNL staat, dat hij niet volledig is uitbetaald en dat andere personen op zijn strikt persoonlijke pas gewerkt hebben, aannemelijk te maken. Omdat eiser geen melding bij het college heeft gemaakt van al zijn werkzaamheden voor de werkgever, heeft hij de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden, waardoor het recht op bijstand vanaf 1 januari 2022 niet kan worden vastgesteld.
3.3.
Eisers hebben op 4 april 2024 een nieuwe aanvraag om een bijstandsuitkering ingediend bij het college. Het college heeft eisers op 5 april 2024 en op 19 april 2024 verzocht om nadere gegevens aan te leveren. Dit betrof onder andere de afschriften van eisers betaal- en spaarrekening van 4 april 2023 tot en met 4 april 2024 en een rittenregistratie van PostNL over de periode van 1 februari 2024 tot en met 1 mei 2025.
3.4.
Het college heeft opnieuw onderzoek verricht omdat er twijfel bestond of de situatie met betrekking tot het aantal gewerkte uren was gewijzigd ten opzichte van het op 14 februari 2024 afgesloten onderzoek. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in de Rapportage Bijzonder Onderzoek van 8 mei 2024. Dit heeft geleid tot primair besluit 2 waarbij de aanvraag van eisers is afgewezen omdat zij onvoldoende gegevens hebben verstrekt om het recht op bijstand vast te kunnen stellen.
3.5.
Het college heeft zich in het bestreden besluit 2 op het standpunt gesteld dat eiser blijkens de rittenregistratie van PostNL meer uren heeft gewerkt dan hij aan het college heeft doorgegeven. Uit de rittenregistratie volgt dat er vele ritten zijn gemaakt. PostNL heeft deze ritten uitbetaald aan de werkgever. Het college gaat er vanuit dat eiser dit werk zelf heeft uitgevoerd. Eiser heeft hier geen inlichtingen over verstrekt aan het college. Als gevolg hiervan is niet vast te stellen dat eisers in bijstandbehoevende omstandigheden verkeren.
Wat oordeelt de rechtbank in SGR 24/7423?
Schending inlichtingenverplichting
4. Eisers voeren aan dat zij hun inlichtingenverplichting niet hebben geschonden. Op basis van het onderzoek en de stukken is niet vast komen te staan dat eiser meer uren heeft gewerkt dan hij heeft opgegeven. De rittenregistratie van PostNL kan niet als uitgangspunt voor het aantal gewerkte uren gehanteerd worden. Eisers leggen hierbij een verklaring van de werkgever over waaruit blijkt dat eiser vanwege zijn lichamelijke klachten niet in staat is om fulltime ritten te rijden. Ook volgt hieruit dat de werkwijze van de werkgever is dat verschillende werknemers op dezelfde handscanner werken. Dit betekent dat de handscanner die aan het begin van de dag aan eiser wordt uitgereikt, aan het einde van de dag door een andere werknemer kan worden ingeleverd. Eiser geeft wekelijks de door hem gewerkte uren door aan zijn werkgever met een urenbriefje. Zijn werkgever bewaart de urenbriefjes. Er is dus wel sprake van een administratie inzake de door eiser gewerkte uren. Bovendien tonen de heimelijke observaties die het college aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd juist aan dat de rittenregistraties van PostNL niet als uitgangspunt kunnen worden genomen. Zo is de werkauto van eiser meerdere keren aangetroffen bij zijn woning op momenten dat eiser volgens de rittenregistratie van PostNL aan het werk zou zijn. Ter onderbouwing van het standpunt dat eiser niet in staat is om fulltime te werken heeft hij medische verklaring overgelegd. Hieruit volgt dat eiser is geopereerd aan zijn hand en dat hij bekend is met een posttraumatische stresstoornis.
4.1.
De te beoordelen periode loopt van 1 januari 2022 (datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken) tot en met 15 februari 2024 (datum intrekkingsbesluit).
4.2.
Het besluit tot intrekking van de bijstandsuitkering is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen. In dit geval betekent dit dat het college aannemelijk moet maken dat eisers in de te beoordelen periode hebben verzuimd om (volledige) informatie te verstrekken over (de omvang van) de werkzaamheden van eiser.
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college op basis van de rittenregistratie van PostNL en de informatie omtrent de werkwijze vanuit PostNL in combinatie met de observaties die zijn verricht, kunnen concluderen dat eiser meer uren aan werkzaamheden heeft verricht dan hij aan het college heeft doorgegeven. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
4.4.
Uit de rittenregistratie van PostNL volgt dat op naam van eiser in de periode van januari 2022 tot januari 2024, op één maand na, maandelijks meer dan 160 uur aan ritten geregistreerd staan. Volgens de toelichting van PostNL ontvangt elke chauffeur een persoonlijke pas met pasfoto om toegang te krijgen tot het depot van PostNL, evenals een persoonlijke inlogcode voor de handterminals. Deze code mag niet worden overgedragen tussen de werkgever en de bezorger. Als dit wel gebeurt is er sprake van een schending van het contract tussen PostNL en de werkgever. De ritten worden geregistreerd vanaf het moment dat de persoonlijke handscanner wordt uitgereikt en eindigen op het moment dat de handscanner persoonlijk wordt ingeleverd. Dit geldt voor de routes die een volledige werkdag beslaan en voor de routes die worden gerekend per 10 minuten (zondag- en avonddiensten). De pas moet altijd zichtbaar worden gedragen en wordt gecontroleerd bij toegang tot het depot, zodat kan worden vastgesteld wie een levering heeft uitgevoerd. Ook heeft PostNL aangegeven dat alleen op de pas en inlogcodes van een andere werknemer mag worden gewerkt als diegene door omstandigheden, bijvoorbeeld door ziekte, niet kan werken. Dit moet vooraf gecommuniceerd worden zodat de ritten bij de juiste werknemer worden geregistreerd.
4.5.
De stelling van eiser dat andere werknemers zijn persoonlijke pas en inlogcodes gebruiken, acht de rechtbank gelet op de informatie vanuit PostNL niet aannemelijk. Aan de door eiser overgelegde verklaring van de directeur van [bedrijfsnaam] B.V. kan niet de waarde worden gehecht die eiser daaraan toekent. De verklaring van de directeur weerspreekt het standpunt van het college, maar bevat geen objectieve en verifieerbare bewijsstukken die zijn stelling kunnen onderbouwen. Hetzelfde geldt voor de verklaringen van twee pakketbezorgers en een planner van PostNL die eiser in beroep aanvullend heeft overgelegd. Dat eiser vanwege zijn medische klachten niet in staat zou zijn om fulltime te werken kan de rechtbank niet afleiden uit de door eiser overgelegde medische stukken. Het meest recente medische stuk dat eiser heeft overgelegd komt bovendien uit 2019. Dit zegt onvoldoende over de medische situatie van eiser in de te beoordelen periode.
4.6.
De sociale rechercheurs hebben daarnaast over de periode van 12 december 2023 tot en met 30 januari 2024 een 15-tal waarnemingen verricht. Uit deze waarnemingen kan worden afgeleid dat eiser op verschillende dagen en verschillende tijdstippen werkzaamheden heeft verricht voor de werkgever. De dagen waarop eiser door de sociale recherche wel of niet werkend is gezien, komen overeen met de ontvangen rittenregistraties. Hoewel de waarnemingen te beperkt zijn om de exacte omvang van de werkzaamheden van eiser voor de werkgever vast te stellen, valt er met voldoende zekerheid uit af te leiden dat eiser in ieder geval meer werkzaamheden heeft verricht dan hij aan het college heeft doorgegeven. Dat de rittenregistratie en de observaties op sommige punten niet overeenkomen kan bovendien worden verklaard doordat de rittenregistratie niet exact is. Dit is echter niet van doorslaggevend belang. Zoals PostNL heeft toegelicht, is de vergoeding die werkgever ontvangt voor het werk van eiser gebaseerd op deze uren. PostNL heeft aangegeven dat de rittenregistratie gebaseerd is op werklast, volume en route. Het gaat om het aantal uren dat staat voor een bepaalde hoeveelheid en route. Hierop wordt de vergoeding gebaseerd. Eiser had daarom in ieder geval recht op loon van de werkgever over de uren die in de rittenregistratie zijn opgenomen.
4.7.
Gelet op het voorgaande heeft het college, naar het oordeel van de rechtbank, voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser in de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 januari 2024, heeft verzuimd om informatie te verstrekken over de omvang van zijn werkzaamheden voor de werkgever.
4.8.
Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstandsuitkering indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, eisers in bijstandbehoevende omstandigheden verkeren. Het is dan aan eisers om aannemelijk te maken dat zij, indien zij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zouden hebben voldaan, over de desbetreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zouden hebben gehad. Daarin zijn eisers niet geslaagd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
De verplichte intrekking en terugvordering
5. Eisers voeren aan dat de gevolgen van het bestreden beluit immens zijn. Zij hebben namelijk vier kinderen en zijn voor hun inkomen afhankelijk van een bijstandsuitkering. Sinds februari 2024 hebben zij grote moeite hun vaste lasten te betalen en zijn ze afhankelijk geworden van leningen van derden. Zelfs de oudere kinderen van eisers moeten zelfs financieel. De gevolgen voor eisers en hun kinderen zijn niet te overzien en het besluit is daarmee in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
5.1.
Het college heeft de bijstand over de te beoordelen periode ingetrokken op grond van artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de Pw, dat van toepassing is in het geval de betrokkene de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Deze bepaling is dwingendrechtelijk geformuleerd. In de verplichtende formulering van deze bepaling ligt geen – impliciete – bevoegdheid voor de bijstandverlenende instantie om in een concreet geval te beslissen over de wijze waarop of de omvang waarin de bijstand wordt herzien of ingetrokken. [1]
5.2.
Het college heeft de bijstand over de te beoordelen periode teruggevorderd op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw, dat van toepassing is in het geval de betrokkene de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Ook deze bepaling is dwingendrechtelijk geformuleerd en bevat dus geen – impliciete – bevoegdheid voor de bijstandverlenende instantie om in een concreet geval te beslissen over de wijze waarop of de omvang waarin de bijstand wordt teruggevorderd.
5.3.
Wat eisers aanvoeren komt erop neer dat het evenredigheidsbeginsel meebrengt dat de hierboven genoemde bepalingen in hun geval niet moeten worden toegepast. Het toetsingsverbod van artikel 120 van Pro de Grondwet staat er echter aan in de weg dat de bestuursrechter toetst of die bepalingen strijd met het evenredigheidsbeginsel opleveren, omdat de Pw een wet in formele zin is. Toepassing van deze bepalingen kan alleen achterwege blijven als sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Dan kan aanleiding bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt. Dat is het geval indien die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Dit wordt ‘
contra legem’-toepassing van het evenredigheidsbeginsel genoemd. [2] Dat zulke bijzondere omstandigheden zich voordoen, kan slechts bij hoge uitzondering worden aangenomen. [3]
5.4.
Eisers hebben in het kader van de intrekking en terugvordering geen bijzondere omstandigheden genoemd die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en die kunnen leiden tot gevolgen die niet stroken met wat de wetgever kan hebben bedoeld en voorzien.
5.5.
Gelet hierop concludeert de rechtbank dat het evenredigheidsbeginsel afstuit op het gebonden karakter van de bevoegdheden tot intrekking en terugvordering en het feit dat die berusten op een wet in formele zin. Het beroep van eisers op het evenredigheidsbeginsel slaagt in zoverre dus niet.
6. Wat eisers hebben aangevoerd is ook zo te begrijpen dat zij menen dat het college om dringende redenen van terugvordering had moeten afzien.
6.1.
Op grond van artikel 58, achtste lid, van de Pw kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van een terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen zijn.
6.2.
Zoals de CRvB in vier uitspraken van 10 december 2024 [4] tot uitdrukking heeft gebracht, moet een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.
6.3.
Op grond van wat eisers naar voren hebben gebracht heeft het college bij afweging van de betrokken belangen geen dringende redenen hoeven aannemen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het besluit om niet van terugvordering af te zien getuigt niet van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen. Eisers hebben hun stelling dat sprake is van ernstige financiële gevolgen van de terugvordering niet nader onderbouwd. Eisers hebben bovendien bij de invordering als schuldenaren de bescherming van de regels over de beslagvrije voet die zijn neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Wat oordeelt de rechtbank in de zaak SGR 25/1461?
Ontvankelijkheid van het beroep
7. De rechtbank ziet zich allereest voor de vraag gesteld of het beroep van eiser ontvankelijk is. Het beroepsschrift is namelijk niet binnen de daarvoor gestelde termijn ingediend. De termijnoverschrijding bedraagt één dag.
7.1.
In artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de niet-ontvankelijkverklaring van een na afloop van de termijn ingediend beroepsschrift achterwege blijft als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
7.2.
In dit kader is van belang dat de beoordeling van een verschoonbare termijnoverschrijding is verruimd. [5] Deze verruiming komt er, kortgezegd, op neer dat meer rekening moet worden gehouden met bijzondere omstandigheden die de indiener van het bezwaar- of beroepschrift betreffen. Het niet tijdig indienen van een bezwaar- of beroepschrift kan niet aan de indiener worden toegerekend als deze daarvan geen verwijt kan worden gemaakt. Dat is in elk geval zo als moet worden vastgesteld dat er een duidelijke verhindering voor de indiener was om tijdig bezwaar te maken of beroep in te stellen. Maar ook bij geringe verwijtbaarheid is er ruimte om de termijnoverschrijding niet aan de indiener toe te rekenen. Dit dient per individueel geval beoordeeld te worden, waarbij de context van belang is.
7.3.
De rechtbank is van oordeel dat de termijnoverschrijding, gelet op de door eiser aangevoerde omstandigheden, in het licht van de bijzondere omstandigheden verschoonbaar kan worden geacht. Hierbij is van belang dat eiser heeft gesteld dat zij het bestreden besluit van 7 januari 2025 pas op 14 januari 2025 hebben ontvangen. Daarnaast was de gemachtigde van eiser vanwege ziekte vlak voor de afloop van de beroepstermijn niet in staat om het beroepschrift tijdig in te dienen. Aangezien de gemachtigde van eiser alleen werkt heeft hij ook geen collega’s die het beroepsschrift voor hem hadden kunnen indienen.
7.4.
Het beroep wordt dus inhoudelijk beoordeeld.
Afwijzing van de aanvraag
8. Eiser voert aan dat met het onderzoek en de stukken niet is komen vast te staan dat eiser meer uren zou hebben gewerkt dan hij heeft doorgegeven. Dit standpunt baseert het college enkel op de rittenregistraties van PostNL. Hieruit blijkt volgens eiser niet dat hij deze uren ook daadwerkelijk heeft gewerkt. Ook heeft het college heeft ten onrechte geen contact opgenomen met eisers werkgever om nadere informatie te verkrijgen. Eiser heeft een verklaring van de directeur van [bedrijfsnaam] B.V. overgelegd. Eiser geeft wekelijks de door hem gewerkte uren middels een urenbriefje door. Deze urenbriefjes worden bewaard door de werkgever. Er is dus wel sprake van een urenadministratie. Eiser wijst hierbij ook naar de medische gegevens waaruit volgt dat hij geopereerd is aan zijn hand en dat hij lijdt aan een posttraumatische stresstoornis. Hierdoor is eiser zowel fysiek als psychisch niet in staat om zoveel uren te werken als volgt uit de rittenregistratie van PostNL.
8.1.
De te beoordelen periode is van 4 april 2024 (datum van de aanvraag) tot en met 10 mei 2024 (datum van het afwijzingsbesluit).
8.2.
Iemand die bijstand aanvraagt moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie. De bijstandverlenende instantie heeft een onderzoeksplicht. Dat brengt mee dat deze de inlichtingen van de aanvrager op juistheid en volledigheid moet controleren. Als de aanvrager niet aannemelijk maakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag.
8.3.
Eiser voert in het kader van de afwijzing van de aanvraag nogmaals aan dat niet vast is komen te staan dat hij meer uren heeft gewerkt bij de werkgever dan hij aan het college heeft doorgegeven. Deze beroepsgrond slaagt niet, gelet op hetgeen overwogen in 4.5. tot met 4.9 van deze uitspraak. Ook de door eiser overgelegde verklaringen van de directeur van [bedrijfsnaam] B.V. en de medische stukken zijn bij beoordeling van de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering al betrokken en geven in deze zaak geen aanleiding voor een ander oordeel. De door eiser in dit beroep overgelegde urenbriefjes van de werkgever zijn onvoldoende om het beeld dat uit de rittenregistratie naar voren komt te weerleggen. De stelling van eiser dat het op de weg van het college lag om de urenbriefjes bij de werkgever op te vragen, volgt de rechtbank niet. Het betreft immers een aanvraag om een bijstandsuitkering, daarom rust de bewijslast om de bijstandbehoevendheid aannemelijk te maken in beginsel bij de aanvrager.
8.4.
Uit de door PostNL verstrekte informatie is gebleken dat in de maand maart 2024 minstens 125 uur aan ritten geregistreerd zijn op naam van eiser bij de werkgever. Het daadwerkelijk aantal gewerkte uren als pakketbezorger was daarom volgens PostNL hoger dan het aantal gewerkte uren volgens de door eiser ingeleverde salarisspecificatie en urenbriefjes. Hieruit volgt dat eiser onjuiste informatie heeft verstrekt ten aanzien van het aantal gewerkte uren over de maand maart 2024.
8.5.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college daarom op goede gronden kunnen concluderen dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat eiser zich in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. Eiser had de informatie omtrent de omvang van zijn werkzaamheden moeten en kunnen verstrekken en heeft hiervoor voldoende gelegenheid gehad. Eiser heeft de onduidelijkheden omtrent zijn werkzaamheden bij de werkgever niet kunnen wegnemen. Het college heeft daarom de aanvraag van eisers kunnen afwijzen omdat niet is vast komen te staan dat eiser in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

9. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E. van Essen, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de CRvB van 10 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2192.
2.Zie de uitspraak van de CRvB van 19 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2622, r.o. 5.7.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 9 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:38.
5.Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBB) heeft hier op 30 januari 2024 vier uitspraken over gedaan: ECLI:NL:CBB:2024:31, ECLI:NL:CBB:2024:32, ECLI:NL:CBB:2024:33 en ECLI:NL:CBB:2024:34.