Eisers ontvingen sinds 2012 een bijstandsuitkering en werkten sinds maart 2021 bij een vervoersbedrijf dat klussen voor PostNL uitvoert. Het college trok de bijstand in en vorderde terug vanwege het niet melden van alle gewerkte uren, gebaseerd op rittenregistraties van PostNL en heimelijke observaties.
Eisers voerden aan dat zij minder uren hadden gewerkt dan uit de rittenregistraties bleek en dat de handscanner door meerdere werknemers werd gebruikt. De rechtbank oordeelde dat het college voldoende aannemelijk had gemaakt dat eisers meer uren werkten dan opgegeven en dat de inlichtingenverplichting was geschonden. Medische verklaringen en verklaringen van de werkgever boden onvoldoende tegenbewijs.
Daarnaast wees de rechtbank het beroep tegen de afwijzing van een nieuwe bijstandsaanvraag af, omdat eisers onvoldoende aannemelijk maakten dat zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerden. De termijnoverschrijding van het beroepschrift werd verschoonbaar geacht. De beroepen werden ongegrond verklaard en eisers kregen geen proceskostenvergoeding.