Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
gemachtigde: mr. J.J.A. Janssen,
verweerster,
gemachtigde: mr. J.M. van Slooten,
belanghebbende,
1.Procedure
- het verzoekschrift van 12 december 2025 met producties 1 t/m 12;
- het verweerschrift van AH met producties 1 t/m 15;
- het verweerschrift van OTTO met producties 1 t/m 18;
- het bericht van [verzoeker] van 24 februari 2026 met aanvullende producties 13 t/m 21;
- het bericht van [verzoeker] van 27 februari 2026 met aanvullende productie 22;
- de pleitnotitie van [verzoeker] ;
- de pleitnotitie van AH.
2.Feiten
We hebben elkaar al meermaals gesproken over een uitzendkracht die OTTO bij Albert Heijn wordt ingezet, de heer [verzoeker] . De heer [verzoeker] toont aanhoudende gedragsproblematiek. Daar heeft Albert Heijn hem al meermaals op aangesproken en daar hebben wij meermaals bij jullie melding van gedaan. Deze problematiek in houding en gedrag van de heer [verzoeker] houdt echter aan.
vanwege kwesties rondom gedrag.”
3.Het geschil
– zakelijk weergegeven –:
4.Beoordeling
Het juridisch kader
“Deze richtlijn heeft tot doel de bescherming van uitzendkrachten te garanderen en de kwaliteit van het uitzendwerk te verbeteren door de naleving van het in artikel 5 vervatte Pro beginsel van gelijke behandeling ten aanzien van de uitzendkrachten te waarborgen, en uitzendbureaus als werkgever te erkennen, daarbij rekening houdend met de noodzaak om een geschikt kader te creëren voor de gebruikmaking van uitzendwerk teneinde bij te dragen tot de schepping van werkgelegenheid en de ontwikkeling van flexibele arbeidsvormen.”
1. De essentiële arbeidsvoorwaarden van uitzendkrachten zijn, voor de duur van hun opdracht bij een inlenende onderneming, ten minste dezelfde als die welke voor hen zouden gelden als zij rechtstreeks door de genoemde onderneming voor dezelfde functie in dienst waren genomen. (…)
Kan de activiteit van [verzoeker] bij AH redelijkerwijs als tijdelijk worden aangemerkt?
bij dezelfde inlenernaar Nederlands arbeidsrecht redelijkerwijs nog als tijdelijk kan worden aangemerkt. Integendeel, op grond van de ABU CAO geldt dat een uitzendovereenkomst afhankelijk van de ingangsdatum (vanwege de overgangsrechtbepaling) na een periode van drie of vier onafgebroken jaren heeft te gelden als aangegaan voor
onbepaaldetijd. Daarmee wordt al (deels) afgeweken van de wettelijke ketenregeling uit artikel 7:668a lid 1 BW (in combinatie met artikel 7:691 BW Pro), op grond waarvan opeenvolgende tijdelijke arbeidsovereenkomsten na het verstrijken van 36 maanden geacht worden te zijn aangegaan voor
onbepaaldetijd. Uit het Nederlandse arbeidsrecht valt dus juist af te leiden dat een arbeidsverhouding in beginsel na verloop van drie onafgebroken jaren niet meer als tijdelijk kan worden aangemerkt. Een verloop van meer dan zeven jaar valt daar ruim buiten.
‘niet-discriminerend’). AH moet worden toegegeven dat met de door haar aangehaalde wettelijke bepalingen en de ABU CAO in de Nederlandse situatie al veel verschillen tussen uitzendkrachten en vaste werknemers zijn weggenomen. In het geval van [verzoeker] geldt dat echter niet voor de in artikel 8 lid 1 Waadi Pro genoemde arbeid in nachtdienst. Hierbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat AH op de zitting naar voren heeft gebracht dat het voor de gezondheid en duurzaamheid van een vaste werknemer niet goed is om heel vaak heel lang nachtdiensten te draaien. De kantonrechter ziet niet waarom dat anders zou zijn voor uitzendkrachten zoals [verzoeker] , aan wiens terbeschikkingstelling geen grens in de tijd is gesteld. AH volgend ten aanzien van de negatieve consequenties van frequent nachtwerk – die algemeen bekend zijn –, kan het ook voor de gezondheid en duurzame inzetbaarheid van uitzendkrachten niet goed zijn om jaar in jaar uit twee tot drie keer per week nachtdiensten te draaien. Bovendien heeft [verzoeker] er op goede gronden op gewezen dat de rechtsbescherming van uitzendkrachten ten opzichte van die van werknemers in vaste dienst zwakker is. Een inlener kan een uitzendbureau eenvoudig verzoeken een werknemer te vervangen – zoals bij [verzoeker] is gebeurd – en zo de inlening beëindigen, terwijl aan de beëindiging van een vast dienstverband door een werkgever strenge wettelijke eisen worden gesteld. Naarmate een inlening langer duurt, moet de beëindiging daarvan ook steeds bezwaarlijker voor de uitzendkracht worden geacht, gelet op zijn band met het bedrijf en de sociale contacten met collega’s. Dat alles geeft aanleiding om de termijn waarbinnen inlening door dezelfde inlener redelijkerwijs nog als tijdelijk kan worden beschouwd niet al te ruim te nemen. Zeven jaar overschrijdt die termijn in ieder geval.
Bestaat voor de duur van de terbeschikkingstelling een voldoende objectieve verklaring?
Waarom krijgt deze man een compliment. Zijn norm is 130% omdat er uren zijn weggehaald op 30-5, anders zit hij op 80%. Ik verwacht echt wel meer focus.”, met bijgevoegd een uitdraai van de ‘ophaalproductiviteit’ van [verzoeker] . Hieruit blijkt dat AH zich ook bezighoudt met individuele uitzendkrachten. Bovendien blijkt uit de e-mail van AH aan OTTO van 7 oktober 2025 dat AH op grond van artikel 5.7 van haar overeenkomst met OTTO de bevoegdheid heeft om een specifieke uitzendkracht te laten vervangen. AH heeft dus wel invloed op de persoon van de individuele uitzendkrachten die OTTO aan haar uitleent en heeft daar in het geval van [verzoeker] ook gebruik van gemaakt. De kantonrechter gaat daarom niet mee in de stelling van AH dat de duur van de terbeschikkingstelling van [verzoeker] uitsluitend of hoofdzakelijk de verantwoordelijkheid is van OTTO.
‘verslag overleg [verzoeker] ’– is vermeld dat de businessunit manager van Otto wekelijks de zes ‘meest problematische stakers’ monitort. Niet in geschil is dat [verzoeker] als een van die zes stakers wordt beschouwd. Voor zover al sprake is geweest van een hoger dan gemiddeld aantal waarschuwingen voor [verzoeker] , kan de kantonrechter dan ook niet uitsluiten dat dit samenhangt met het feit dat hij ook meer dan gemiddeld werd gecontroleerd. Verder is van belang dat OTTO heeft toegelicht dat ‘laatste waarschuwingen’ niet per definitie hoefden te worden opgevolgd, maar vooral werden ingezet om aan te sturen op verbetering. In lijn daarmee verklaart AH zelf in haar verweerschrift dat de waarschuwingen aan [verzoeker] in het afwijzen van zijn sollicitaties ‘niet hoofdzakelijk, maar op de achtergrond’ een rol speelden. De betekenis van de waarschuwingen is dus kennelijk beperkt en deze speelden geen doorslaggevende rol in het uitblijven van een aanbod voor een vast dienstverband aan [verzoeker] .
verklaringvoor de lange duur van de uitzendovereenkomst vereist is en geen
rechtvaardigingdaarvoor. Naar het oordeel van de kantonrechter spreekt vanzelf dat er, gelet op de op het spel staande belangen, in de vereiste objectieve verklaring ook rechtvaardiging moet kunnen worden gevonden voor een langdurige terbeschikkingstelling van een individuele uitzendkracht aan dezelfde inlener.
Kan een arbeidsovereenkomst met AH als sanctie worden aangenomen?
€ 144,00(plus eventueel de kosten van betekening)