Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9050

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
11797256
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:101 BWArt. 194 RvArt. 195 RvArt. 41 NR 1999Art. 25 NR 1995
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatig handelen Dexia door vergunningplichtige advisering effectenleaseovereenkomsten

In deze zaak vordert de erfgenaam van een overleden cliënt, hierna Afnemer, schadevergoeding van Dexia Nederland B.V. wegens onrechtmatig handelen bij het sluiten van effectenleaseovereenkomsten via een tussenpersoon zonder vergunning. De overeenkomsten hielden in dat Afnemers geld leenden van Dexia, dat werd gebruikt om aandelen te kopen, waarbij zij rente betaalden en uiteindelijk het geleende bedrag moesten terugbetalen. Door de koersdaling ontstond verlies en restschuld.

De rechtbank stelt vast dat de tussenpersoon geen vergunning had voor beleggingsadvies, maar wel persoonlijk en specifiek advies gaf aan Afnemers. Dexia had hiervan op de hoogte moeten zijn en had haar zorgplicht, waaronder de waarschuwingsplicht, geschonden door met deze tussenpersoon te contracteren. De schade van Afnemers bestaat uit betaalde termijnen en restschuld, waarvoor Dexia aansprakelijk is.

Dexia's verzoek om inzage in intakeformulieren wordt afgewezen vanwege het vertrouwelijke karakter van de relatie tussen Afnemer en haar gemachtigde. De rechtbank wijst de vorderingen van Dexia af en veroordeelt Dexia tot betaling van de schade, vermeerderd met wettelijke rente, en in de proceskosten. De vorderingen van Afnemer worden toegewezen, waarmee Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens Afnemers.

Uitkomst: Dexia wordt veroordeeld tot volledige schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen door vergunningplichtige advisering via tussenpersoon zonder vergunning.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Den Haag
AR/c
Zaaknummer: 11797256 RL EXPL 25-13062
2 april 2026
Vonnis van de kantonrechter van:
in de zaak van
[afnemer],te dezen handelende voor zichzelf en in de hoedanigheid van wettelijk erfgename van[erflaatster] ,overleden op [datum] 2007, laatst gewoond hebbende te [plaats] (hierna te noemen: [erflaatster] ),
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie in de hoofdzaak en in het incident,
verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
hierna ook Afnemer genoemd,
gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak en in het incident,
eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
gemachtigde: USG Legal Professionals.

1.Kern van de zaak

1.1.
[erflaatster] en [afnemer] (hierna samen genoemd: Afnemers) hebben via een tussenpersoon effectenleaseovereenkomsten gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Die overeenkomsten hielden het volgende in. Afnemers leenden geld van Dexia, stelden dit vervolgens ter beschikking van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. Afnemers betaalden met name rente (inleg), per maand of ineens vooruit. Aan het einde van de overeenkomsten werden de aandelen verkocht en moesten Afnemers het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zo laag dat Afnemers verlies hebben geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door Afnemers geleden schade helemaal moet vergoeden.
1.2.
Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door Afnemers geleden schade helemaal moet vergoeden.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 8 juli 2025, tevens houdende incidentele vordering ex artikel 194 en Pro 195 Rv;
  • de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie van Dexia, tevens
  • de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie van Afnemer;
  • de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie van Dexia;
  • de conclusie van dupliek in reconventie van Afnemer, tevens houdende akte uitlaten
2.2.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.

3.3. De feiten

3.1.
[erflaatster] en [afnemer] hebben de volgende leaseovereenkomsten (verder: de overeenkomsten) ondertekend waarop [erflaatster] dan wel [afnemer] als lessee stonden vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
Leasesom
Looptijd
[nummer 1]
(op naam van [afnemer] )
11 december 2000
AEX Plus Effect
€ 10.891,20
240 maanden
[nummer 2] (op naam van [afnemer] )
11 december 2000
AEX Plus Effect
€ 10.891,20
240 maanden
[nummer 3]
(op naam van [erflaatster] )
6 december 2000
AEX Plus Effect
€ 10.891,20
240 maanden
[nummer 4] (op naam van [erflaatster] )
6 december 2000
AEX Plus Effect
€ 10.891,20
240 maanden
3.2.
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomsten eindafrekeningen opgesteld met het volgende resultaat:
Contractnr.
Datum eindafrekening
(koersdatum)
Resultaat
Betaald
[nummer 1]
3 augustus 2006
- € 512,24
Ja
[nummer 2]
3 augustus 2006
- € 512,24
Ja
[nummer 3]
15 augustus 2006
- € 505,95
Ja
[nummer 4]
3 augustus 2006
- € 512,24
Ja
3.3.
Afnemers waren in gemeenschap van goederen getrouwd. [afnemer] is als enig erfgenaam beschikkingsbevoegd om namens de nalatenschap van [erflaatster] te handelen en onderstaande vordering in te stellen.
3.4.
Volgens opgave van Dexia hebben Afnemers op grond van de overeenkomsten – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 8.893,52 aan maandtermijnen en een bedrag van € 2.042,67 wegens restschuld aan Dexia betaald. Volgens die opgave hebben Afnemers geen dividend ontvangen en € 63,40 aan fiscaal voordeel genoten. Op 10 februari 2025 heeft Dexia een bedrag van € 5.931,60 aan [erflaatster] uitgekeerd, volgens Dexia tweederde van de restschuld inclusief reeds verschenen rente.
3.5.
De gemachtigde van Afnemer, Leaseproces, heeft bij brief van 17 januari 2006 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren.
4. De vordering en het verweer in conventie en in reconventie in de hoofdzaak en in de incidenten
4.1.
[afnemer] vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- in incident/voorwaardelijk:
 Dexia ex artikel 194 en Pro 195 Rv zal veroordelen afschriften te verstrekken van de aanvraagformulieren,
- in de hoofdzaak:
 voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens Afnemers voor wat betreft overeenkomsten [nummer 3] en [nummer 4] en/of toerekenbaar is tekort geschoten jegens [afnemer] ,
 voor recht zal verklaren dat Afnemers en iedere erfgenaam van [erflaatster] schade hebben geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade aan [afnemer] te vergoeden,
 Dexia zal veroordelen tot voldoening van de schade en van alles wat Afnemers aan Dexia hebben betaald onder de overeenkomsten ten behoeve van de gemeenschap aan [afnemer] als wettelijke erfgenaam en rechtsopvolger van [erflaatster] en aan [afnemer] zelf, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,
 Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van Afnemer,
 Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente.
4.2.
Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering, waarbij Dexia vordert, dan wel verzoekt (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- in het incident:
 Afnemer ex artikel 195 Rv Pro zal veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier, althans andere schriftelijke documenten waaraan de door Leaseproces namens Afnemer in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen zijn ontleend,
- in de hoofdzaak:
 voor recht zal verklaren dat Dexia, na betaling aan [afnemer] van een bedrag van € 1.361,78, vermeerderd met wettelijke rente, niets meer aan [afnemer] verschuldigd is,
 Afnemer zal veroordelen in de proceskosten.
4.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.
5. De beoordeling van de vorderingen in conventie en in reconventie in de hoofdzaak en in de incidentenalgemeen5.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 20 à 25 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie Afnemer.
5.2.
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. [1] Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.
5.3.
Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
er is sprake van huurkoop;
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
Afnemer heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;
er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.
het incidentele verzoek van Dexia
5.4.
Dexia vordert dat [afnemer] wordt veroordeeld het intakeformulier, dan wel een ander schriftelijk document van haar gemachtigde aan Dexia te verstrekken waaraan de door de gemachtigde ingenomen stellingen zijn ontleend.
5.5.
Dexia wil kennelijk weten welke gegevens [afnemer] destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier of anderszins dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een hoge uitzondering die maakt dat in dít geval van de beroepsbeoefenaar kan worden verlangd zich niet op zijn verschoningsrecht te beroepen. Al met al oordeelt de kantonrechter dat het incidentele verzoek van Dexia moet worden afgewezen.
5.6.
De proceskosten van dit incident/verzoek komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [afnemer] worden begroot op € 82,00.
tussenpersoon
5.7.
Afnemers hebben de overeenkomsten met Dexia afgesloten via de tussenpersoon Visie op Rendement (verder: de tussenpersoon). Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 [2] heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR Pro 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR Pro 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer, ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.
5.8.
De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon Afnemers heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon Afnemers, anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [afnemer] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [afnemer] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn. Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door Afnemers in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
5.9.
[afnemer] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende, waarbij de kantonrechter de aanduiding van Afnemers gezamenlijk heeft vervangen door ‘Afnemers’ en van Visie op Rendement door ‘de tussenpersoon’):
“Afnemers hadden een bestaande adviesrelatie met de adviseur van de tussenpersoon. [afnemer] had namelijk eerder via de tussenpersoon een lijfrenteverzekering afgesloten. Daarnaast was de adviseur betrokken geweest bij de verkoop van de woning van [erflaatster] . Afnemers hadden voornemens om de opbrengst van de verkoop van de woning op een beleggingsrekening te zetten. Afnemers hebben vervolgens contact opgenomen met de adviseur om een afspraak te maken voor een huisbezoek teneinde zich hierover te laten adviseren.
Alvorens het gesprek van de adviseur van de tussenpersoon op de hoogte van de financiële situatie van Afnemers, vanwege de bestaande adviesrelatie. Zo was de adviseur op de hoogte van het werk en inkomen van Afnemers. Tijdens het gesprek heeft de adviseur geïnformeerd naar de wensen en nader geïnformeerd naar de financiële situatie van Afnemers. Zo is gesproken over het gegeven dat de woning van [erflaatster] was verkocht en dat Afnemers daar winst aan hadden overgehouden. Afnemers gaven aan dat zij de winst van de verkochte woning op een beleggingsrekening wilden zetten met als doel vermogen op te bouwen om de woning van [afnemer] – waar Afnemers op dat moment samen woonden – te renoveren. De adviseur gaf hierop aan dat hij een geschikte constructie kon adviseren, waardoor Afnemers hun doelstelling kon bereiken.
De adviseur adviseerde Afnemers om te investeren in AEX Plus Effect overeenkomsten van Bank Labouchere. Omdat Afnemers de adviseur hadden aangegeven dat zij hun financiën gescheiden wilden houden, adviseerde de adviseur Afnemers om ieder twee AEX Plus Effect overeenkomsten af te sluiten met elk een vooruitbetaling van ongeveer NLG 4.800,- per overeenkomst. De adviseur adviseerde Afnemers om een deel van de winst uit de verkoop van de woning aan te wenden voor de vooruitbetalingen van de overeenkomsten. Met ieder twee AEX Plus Effect overeenkomsten zouden Afnemers aanzienlijk vermogen zou opbouwen, waardoor zij de woning van [afnemer] – waar zij op dat moment samen woonden – konden renoveren. Daarnaast adviseerde de adviseur Afnemers om het restant van de winst op een beleggingsrekening te zetten teneinde nog meer vermogen op te bouwen ten behoeve van hun doelstelling.
De adviseur heeft Afnemers niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo heeft hij er niet op gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst. Als Afnemers op deze risico’s gewezen waren, hadden zij de Profit Effect overeenkomsten nooit afgesloten.
Afnemers hadden geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwden daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden hebben Afnemers het advies van de adviseur opgevolgd. (…)”
5.10.
[afnemer] heeft, ter onderbouwing van haar stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:
  • kopieën van de aanvraagformulieren van de overeenkomsten;
  • kopieën van de overeenkomsten, voorzien van de tekst “
  • een kopie van een uittreksel van de KvK van de tussenpersoon, waarop als bedrijfsactiviteiten vermeld staan “
  • een screenshot van de website van [bedrijfsnaam], waarop staat vermeld:
  • “Een succesvol, onafhankelijk, landelijk werkend en erkend financieel adviesbureau gevestigd in Zoetermeer. Enthousiasme en een professionele aanpak zijn, naast de klantgerichte filosofie en het hanteren van hoge kwaliteitsnormen, belangrijke succesfactoren.”
bezwaren van Dexia tegen eerdere uitspraken
5.11.
Dexia heeft grote bezwaren tegen de – door haar zo genoemde – ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Dexia heeft tegen de bewuste redenering (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer:
  • dat ten onrechte de gemachtigde van [afnemer] op haar woord wordt geloofd, terwijl er juist door het feit dat er extreem veel tijd is verstreken tussen het afsluiten van de overeenkomsten en het moment dat [afnemer] zich erop heeft beroepen dat zij is geadviseerd door de tussenpersoon, alle aanleiding is om behoedzaam met de verklaring van [afnemer] om te gaan;
  • dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;
  • dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust, en
  • dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.
5.12.
Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [afnemer] onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseur van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. [3] [4] Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in haar geval heeft [afnemer] , tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [afnemer] geschetste gang van zaken. De stelling van Dexia dat de verklaring van [afnemer] tegenstrijdig is omdat zij de naam en het geslacht van de adviseur niet kan noemen, maar wel de details van het gesprek is hiertoe onvoldoende. Naast het enkele feit dat de omstandigheid dat [afnemer] de naam van de adviseur niet noemt in haar verklaring niet betekent dat zij die niet weet, is dit irrelevant voor de vraag of de adviseur vergunningsplichtig advies heeft gegeven. Dexia had voor het overige meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomst dan wel tot stand was gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [afnemer] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarmee wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat de gemachtigde van Afnemer in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door Afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen Afnemer en de adviseur van de tussenpersoon en er voor haar geen aanleiding was eerder onderzoek te doen omdat Afnemer pas zeer laat een beroep heeft gedaan op advisering, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals Afnemer en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vastleggingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt.
wetenschap Dexia
5.13.
In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan Afnemers. Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben. Ten eerste had zij, nu zij gebruik maakte van tussenpersonen, moeten weten wat hun gebruikelijke werkwijze was. Daarnaast lag het op de weg van Dexia om voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst met een klant actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst zou aangaan op advies van de tussenpersoon. Aan de hand van de in dat verband ontvangen informatie had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de overeenkomst met Afnemers kon en mocht sluiten. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht, is gesteld noch gebleken. Dat moet, gelet op het voorgaande, voor haar rekening en risico blijven. De betwisting door Dexia van de stelling dat zij kon weten dat sprake was van vergunningplichtige advisering is dan ook onvoldoende onderbouwd. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.
aansprakelijkheid Dexia5.14. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met Afnemers de overeenkomsten is aangegaan, heeft zij jegens Afnemers onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan Afnemers omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. [5] Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW Pro voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
vorderingen van [afnemer]5.15. De door [afnemer] gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens Afnemers heeft gehandeld door hen als cliënten te accepteren, terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon Afnemers niet alleen als klant aanbracht, maar Afnemers tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat.
5.16.
De door Afnemers geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door Afnemers betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [afnemer] niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. Omdat reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3).
Afnemer heeft de schade berekend op € 10.872,79. Dexia heeft er terecht op gewezen dat het bedrag van € 5.931,60 dat zij reeds heeft uitgekeerd, minus het gedeelte hiervan dat rente is, namelijk € 3.345,99 (€ 2.585,61 dus), hierop in mindering moet strekken. De berekening van de schade moet volgens de hierboven geformuleerde uitgangspunten gebeuren.
5.17.
Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.
5.18.
Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [afnemer] aangevoerde gronden geen nadere bespreking.
het incidentele verzoek van [afnemer]
5.19.
verzoekt Dexia op te dragen om een afschrift te verstrekken van het aanvraagformulier en de bij Dexia in bezit zijnde ondertekende overeenkomsten. Uit het voorgaande volgt dat [afnemer] in het gelijk zal worden gesteld. Zij heeft dan ook geen belang meer bij deze stukken in deze procedure, zodat de vordering/het verzoek zal worden afgewezen. [afnemer] zal worden veroordeeld in de proceskosten. Omdat het partijdebat in het voorwaardelijke incident is samengevallen met het debat in de hoofdzaak, worden de kosten in het incident tot op heden begroot op nihil.
vorderingen Dexia
5.20.
Gelet op de beoordeling in conventie worden de vorderingen van Dexia afgewezen.
proceskosten
5.21.
Omdat [afnemer] inhoudelijk gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [afnemer] gevallen. Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil.
De proceskosten van [afnemer] worden begroot op:
- dagvaarding € 135,97
- griffierecht € 90,00
- salaris gemachtigde € 542,00 (2 x tarief € 271,00)
- nakosten
€ 135,00
Totaal € 902,97
5.22.
De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen.
6. De beslissing
De kantonrechter:
in het incident van [afnemer]
6.1.
wijst het verzoek af;
6.2.
veroordeelt [afnemer] in de proceskosten, tot op heden aan de kant van Dexia begroot op nihil;
in het incident van Dexia
6.3.
wijst de het verzoek van Dexia af;
6.4.
veroordeelt Dexia in proceskosten, tot op heden aan de kant van [afnemer] begroot op € 82,00;
in conventie
6.5.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens Afnemers heeft gehandeld door Afnemers als cliënten te accepteren, terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon Afnemers niet alleen als klant aanbracht, maar Afnemers tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat;
6.6.
verklaart voor recht dat Afnemers en iedere erfgenaam van [erflaatster] schade hebben geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden;
6.7.
veroordeelt Dexia om binnen drie weken na betekening van dit vonnis aan [afnemer] en ten behoeve van de gemeenschap aan [afnemer] als wettelijke erfgenaam en rechtsopvolger van [erflaatster] de schade te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover zoals weergegeven in rechtsoverweging 5.16.;
6.8.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 902,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan een van de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen;
6.9.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
6.10.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
6.11.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
6.12.
wijst de vorderingen af;
6.13.
veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [afnemer] tot op heden begroot op nihil.
Aldus gewezen door mr. N.B. Verkleij, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).
2.Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI :NL:HR:2022:862.
3.Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof ’s Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689, gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:379.
4.Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.
5.Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.