Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 20 januari 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres
de heffingsambtenaar van de gemeente Rijswijk, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Daarnaast wees een analyse uit dat de overschrijding van de opbrengstlimiet geheel wordt veroorzaakt doordat per 2022 aanzienlijke baten worden verwacht uit een aantal grote incidentele bouwprojecten. De lasten voor de gemeente met betrekking tot deze projecten zullen over meerdere jaren doorlopen zo lang een project niet is opgeleverd, terwijl de baten geheel in het jaar van de vergunningaanvraag van het project zullen worden verantwoord. Om de lasten over meerdere jaren te kunnen dekken, wordt voorgesteld om een voorziening ex artikel 44, lid 2 BBV voor deze bouwbaten in te stellen.”
Geschil5. In geschil is of de opbrengstlimiet zoals bedoeld in artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet is overschreden, waardoor de Verordening op de heffing en de invordering van leges 2022(de Verordening) partieel of geheel onverbindend zou moeten worden verklaard en de aanslag zou moeten worden verminderd of vernietigd. Specifiek in geschil is of de “Storting egalisatievoorziening Leges” van € 500.000 ten onrechte als last ter zake in aanmerking is genomen. Daarnaast is in geschil of verweerder ten onrechte geen kostenvergoeding heeft toegekend voor de bezwaarfase.
5 juni 2012 [18] , waarin is geoordeeld dat het niet is toegestaan om legesbaten te sparen in een egalisatiereserve om meer dan kostendekkende opbrengsten in jaren met grote bouwactiviteiten te kunnen aanwenden ter dekking van de kosten in latere jaren met minder bouwactiviteiten. Eiseres meent dat de gemeente in strijd handelt met de opbrengstlimiet door met de post van € 500.000 het legestarief doelbewust en kunstmatig te hoog te houden.
€ 624.786 aan overheadkosten en € 362.545 aan overige kosten) en meer ‘onzekere’ legeskosten (de € 500.000). Verweerder heeft desgevraagd geen concreet inzicht verschaft in hoe de gemeente dit onderscheid heeft gemaakt en uit welke kostenposten, inclusief de omvang hiervan, het bedrag van € 500.000 bestaat. Ter zitting heeft verweerder verwezen naar de jurisprudentie genoemd in het verweerschrift [19] en gesteld dat de gemeente de voorziening (dan wel de reserve) van € 500.000 heeft mogen vormen.
€ 3.426.318. Het bedrag van € 500.000 dient uit de raming te worden geëlimineerd. Dit heeft tot gevolg dat de geraamde baten (€ 3.391.973) de geraamde lasten (€ 2.926.318) met 15,91% te boven gaan. Dit betekent dat de opbrengstlimiet zoals bedoeld in artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet is overschreden.
€ 666, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor van 1). Gelet op artikel 3, eerste lid, van het Bpb kent de rechtbank eiseres en [bedrijf] elk de helft van dit bedrag toe (€ 1.600).
Beslissing
mr. J.G.E. Gieskes, leden, in aanwezigheid van mr. G.E. Brummel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.