Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7356

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
NL26.6546
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 17 DublinverordeningArt. 18 DublinverordeningArt. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Frankrijk

De rechtbank Den Haag heeft op 1 april 2026 uitspraak gedaan over het beroep van een asielzoeker uit Nigeria tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen. De minister had dit besluit genomen omdat Frankrijk op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

De rechtbank bevestigt dat Nederland op 29 oktober 2025 een verzoek tot terugname aan Frankrijk heeft gedaan, dat door Frankrijk op 8 november 2025 is aanvaard. De rechtbank stelt vast dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk nog steeds geldt, wat betekent dat Nederland erop mag vertrouwen dat Frankrijk een adequate asielprocedure en opvangvoorzieningen biedt.

De door eiser aangevoerde medische en psychische klachten en de verwijzing naar het arrest Tarakhel worden door de rechtbank onvoldoende onderbouwd geacht om te spreken van bijzondere, individuele omstandigheden die een uitzondering op het vertrouwensbeginsel rechtvaardigen. Ook het beroep op indirect refoulement wordt afgewezen omdat daarvoor geen sprake is van systeemfouten in Frankrijk.

De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond en handhaaft het besluit van de minister. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter R. Tesfai en openbaar gemaakt op rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt kennelijk ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.6546

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Nigeriaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. E.J.P. Cats),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de asielaanvraag met het bestreden besluit van 5 februari 2026 niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Awb [1] uitspraak zonder zitting.
1.2.
Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen staat geregistreerd onder het zaaknummer NL26.6547. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat mede aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
3. De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het besluit tot het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4.
De EU [2] heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. [3] Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [4] In dit geval heeft Nederland op
29 oktober 2025 bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek op 8 november 2025 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. De rechtbank oordeelt dat de Franse autoriteiten met het claimakkoord in beginsel verantwoordelijk zijn voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van eiser. Dit is alleen anders als moet worden gevreesd dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM [5] en artikel 4 van Pro het Handvest [6] , waarbij een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid geldt. [7] In de uitspraken van 4 september 2024 [8] heeft de Afdeling [9] geoordeeld dat het in de eerste plaats aan de vreemdeling is om het vermoeden te weerleggen dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat volgens Afdelingsrechtspraak ten aanzien van Frankijk nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [10] In de uitspraak van 5 april 2023 heeft de Afdeling geoordeeld dat alhoewel er wel kan worden aangenomen dat sprake was van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in Frankijk, niet is gebleken dat die problemen dusdanig structureel en ernstig zijn, dat bij overdracht aan Frankrijk op voorhand sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest. [11] De Afdeling heeft bij uitspraak van 30 augustus 2024 [12] geoordeeld dat het (door eiser in onderhavige procedure aangehaalde) AIDA-rapport (update 2023) geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie in Frankrijk voor Dublinclaimanten dan uit de landeninformatie volgt die de Afdeling al bij de uitspraak van 2 mei 2024 [13] heeft betrokken. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen reden om hier anders over te oordelen. Mocht eiser toch problemen ervaren in het kader van de asielprocedure en opvangvoorzieningen, dan ligt het op zijn weg om daarvoor de autoriteiten van Frankrijk te benaderen. Niet is gebleken dat klagen of het vragen van hulp bij de Franse autoriteiten voor eiser niet mogelijk zal zijn. Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat in Frankrijk ten aanzien van de medische/psychische zorg sprake is van dusdanige tekortkomingen dat de drempel in de hiervoor genoemde Jawo arrest wordt gehaald of overschreden.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening
6. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening moet worden bekeken of er bijzondere, individuele omstandigheden zijn aangevoerd die aanleiding geven om de asielaanvraag van eiser toch in Nederland te behandelen.
6.1.
Paragraaf C2/5. van de Vc [14] bepaalt dat de minister terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming in Nederland te behandelen op grond van artikel 17, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening, ook al is Nederland op grond van de in de verordening neergelegde criteria daartoe niet verplicht.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom er geen aanleiding bestaat om de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich te trekken. Voor zover eiser betoogt dat de door hem naar voren gebrachte problemen met betrekking tot de asielprocedure en opvangvoorzieningen in Frankrijk ook moeten worden meegenomen in de motivering of artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, verwijst de rechtbank naar de Afdelingsuitspraak van 25 februari 2025. [15] Daarin is geoordeeld dat als de minister de omstandigheden waarop de vreemdeling zich heeft beroepen al heeft betrokken bij de beoordeling of hij van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan, dit in beginsel ook een deugdelijke motivering is waarom hij zijn discretionaire bevoegdheid niet gebruikt. De gestelde medische/psychische klachten van eiser acht de rechtbank onvoldoende om te kunnen spreken van een bijzondere, individuele omstandigheid. Daarbij komt dat een onderbouwing hiervan ontbreekt.
Arrest Tarakhel
7. Het beroep van eiser op het arrest Tarakhel [16] slaagt niet. In dit arrest heeft het Hof van Justitie overwogen dat de verzoekende lidstaat voor bijzonder kwetsbare personen voorafgaand aan de overdracht aanvullende garanties moet vragen aan de ontvangende lidstaat, als de vreemdeling aantoont dat hij zonder garanties geen toereikende zorg- en opvangvoorzieningen zal krijgen. De bewijslast dat er sprake is van deze bijzondere kwetsbaarheid ligt bij de vreemdeling. Eiser heeft aangevoerd dat hij zonder sociaal netwerk bijzonder kwetsbaar zal zijn, maar heeft niet met concrete bewijzen aannemelijk gemaakt dat hij zonder het verkrijgen van aanvullende garanties in Frankrijk geen adequate zorg- en opvangvoorzieningen zal krijgen. Zoals hiervoor onder 5.1. is overwogen mag er in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van worden uitgegaan dat eiser in Frankrijk zal worden toegelaten tot de opvang en dat (noodzakelijke) medische/psychische zorg voor hem beschikbaar is. Onder deze omstandigheden zijn er geen individuele garanties van de Franse autoriteiten vereist voor de overdracht van eiser.
Indirect refoulement
8. Ten aanzien van eisers betoog dat hij bij overdracht aan Frankrijk vreest voor indirect refoulement, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van het Hof [17] van
30 november 2023 [18] en de Afdeling van 12 juni 2024 [19] . Uit die uitspraken volgt dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Dit is alleen anders als niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden ten aanzien van het betreffende land, omdat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat er in dat land sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken. Zoals hiervoor onder 5.1. is overwogen kan ten aanzien van Frankrijk nog altijd worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank onderzoekt daarom niet of er bij overdracht aan Frankrijk een risico is op indirect refoulement. Het in dat kader door eiser overgelegde rapport van Amnesty International van april 2025 [20] behoeft daarom geen bespreking.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Europese Unie.
3.Verordening (EU) nr. 604/2013.
4.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
5.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
6.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
7.Dit volgt uit het Jawo-arrest van het Hof van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.
9.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
10.Zie de uitspraken van 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623 en 7 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3724.
14.Vreemdelingencirculaire 2000.
16.Arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.
17.Europese Hof van Justitie.
18.ECLI:EU:C:2023:934.
20.“The state of the world’s human rights”.