Eiser, een minderjarige Hazara uit Afghanistan, diende een asielaanvraag in Nederland in nadat hij in Griekenland een vluchtelingenstatus had gekregen. De minister wees de aanvraag af en legde een terugkeerbesluit op, stellende dat eiser geen risico liep bij terugkeer vanwege zijn etnische achtergrond. De rechtbank oordeelt dat de minister weliswaar rekening heeft gehouden met de Griekse vluchtelingenstatus, maar onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het risico voor Hazara’s in Afghanistan is afgenomen.
De rechtbank beoordeelde ook de geloofwaardigheid van eisers identiteit en asielmotieven. Hoewel eiser zijn identiteit niet met documenten kon onderbouwen en zijn verklaringen over problemen met de Taliban en grondbezit inconsistent waren, was dit niet doorslaggevend voor het oordeel over het terugkeerrisico. De minister baseerde zich op een ambtsbericht dat de situatie van Hazara’s onder het Taliban-regime verbeterd zou zijn, maar de rechtbank concludeert dat dit onjuist is en dat het risico op vervolging en geweld nog steeds reëel is.
Gelet op de onvoldoende motivering vernietigt de rechtbank de besluiten van 4 februari 2025 en 20 augustus 2025 en beveelt de minister binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.