Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6477

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
NL25.46030 en NL25.46031
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 31 lid 6 onder c VwArt. 31 lid 6 onder e VwArt. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank vernietigt afwijzing asielaanvraag wegens motiveringsgebrek terugkeerbesluit

Eiser, een staatloze Koerd geboren in Syrië in 2006, diende op 18 november 2022 een asielaanvraag in die door de minister op 16 september 2025 werd afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank behandelde het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening op 9 februari 2026.

De minister betwijfelde de geloofwaardigheid van eisers identiteit, nationaliteit en herkomst, mede op basis van een taalanalyse en onderzoek door Bureau Documenten, en legde een terugkeerbesluit op naar Syrië, Irak of Turkije met een inreisverbod van twee jaar. Eiser voerde aan dat hij staatloos is, dat hij als minderjarige niet adequaat werd opgevangen en dat de minister onvoldoende rekening hield met zijn situatie.

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht de geloofwaardigheid van de identiteit en herkomst van eiser in twijfel trok, maar dat de minister onvoldoende voortvarend had gehandeld bij het onderzoek naar adequate opvang tijdens eisers minderjarigheid. Dit leidde echter niet tot schending van zijn belangen. Wel stelde de rechtbank vast dat de minister bij het opleggen van het terugkeerbesluit geen actuele beoordeling had gemaakt van het risico op refoulement, wat een motiveringsgebrek vormt.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en gaf de minister acht weken de tijd om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen en de minister werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van € 2.802,-.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens motiveringsgebrek in het terugkeerbesluit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.46030 (beroep)
NL25.46031 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] 2006, van onbekende nationaliteit, eiser en verzoeker, hierna te noemen: eiser
(gemachtigde: mr. J.W.F. Menick),
en

de minister van Asiel en Migratie, hierna: de minister

(gemachtigde mr. J. Amakodo).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank en voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en het verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Eiser heeft op 18 november 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 16 september 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.2.
De rechtbank heeft beroep op 9 februari 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. Moustafa als tolk in de taal Koerdisch Kurmandji en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en het verzoek om een voorlopige voorziening. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij in 2006 in Syrië is geboren in [geboorteplaats] . Hij heeft verklaard dat hij staatloos is, tot de Koerdische bevolkingsgroep behoort en dat hij in 2011, toen hij vijf jaar oud was, met zijn familie uit Syrië is gevlucht vanwege de oorlog. In Turkije konden eiser en zijn familie ook niet naturaliseren en hierdoor hadden zij ook hier geen rechten. Eiser heeft verklaard dat hij samen met zijn neef, [naam 1] , van Kroatië naar Nederland is gereisd. Hij heeft daarnaast uitgelegd dat zijn ouders nog in Turkije wonen, in [woonplaats] , en dat hij nog steeds contact heeft met zijn ouders.
4.1
Eiser heeft ter onderbouwing van zijn asielrelaas een Syrische identiteitsverklaring overgelegd.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Discriminatie vanwege staatloosheid.
5.1
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet geloofwaardig. De geloofwaardigheid van het tweede asielmotief heeft de minister daarom niet getoetst. De verklaringen van eiser over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst vormen volgens de minister geen samenhangend en aannemelijk geheel. [1] Volgens de minister wisselen de verklaringen die eiser heeft afgelegd in Kroatië zodanig met hetgeen hij in Nederland heeft verklaard, dat niet valt af te leiden welke verklaringen over zijn persoonsgegevens correct zijn. De minister mag van eiser verwachten dat hij eerlijk en consistent is over zijn persoonsgegevens, ook al is hij jong, ongeschoold en analfabeet. Daarnaast volgt uit de taalanalyse dat eiser eenduidig niet te herleiden is tot een spraakgemeenschap binnen Syrië. Tevens heeft Bureau Documenten geconcludeerd dat de identiteitsverklaring [2] die door eiser is overgelegd, afwijkt van het beschikbare vergelijkingsmateriaal. Gezien het bovenstaande kan eiser volgens de minister ook niet in grote lijnen als geloofwaardig worden beschouwd. [3]
5.2
Daarnaast komt eiser volgens de minister niet met terugwerkende kracht in aanmerking voor een buitenschuldvergunning op basis van het beleid voor alleenstaande minderjarige asielzoekers (amv’ers). De minister stelt zich op het standpunt dat eiser tijdens zijn minderjarigheid adequate opvang had bij zijn ouders. De minister legt een terugkeerbesluit op naar Syrië, Irak of Turkije. Ook krijgt eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar.
Identiteit, nationaliteit en herkomst
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister zijn identiteit, nationaliteit en herkomst ten onrechte niet geloofwaardig heeft bevonden. Eiser heeft uitgelegd waarom hij in Kroatië andere persoonsgegevens heeft opgegeven. Hij was toen zeer jong en kwetsbaar. De minister heeft volgens eiser geen rekening gehouden met zijn referentiekader. De minister gaat ook voorbij aan de omstandigheden waaronder eiser naar Kroatië is gekomen en aan de behandeling in Kroatië zelf. Eiser stelt daarnaast dat hij er alles aan heeft gedaan om aan documenten te komen, maar in bewijsnood verkeert. Hij heeft aangegeven dat hij een staatloze Koerd is uit Syrië en dat zijn familie een nomadisch leven als herders leidt. Dat Bureau Documenten heeft verklaard dat de Syrische identiteitsverklaring wellicht niet door een bevoegd ambtenaar is afgegeven kan niet aan eiser worden tegengeworpen. Ten aanzien van de taalanalyse stelt eiser zich op het standpunt dat niet valt in te zien waarom van hem mag worden verwacht dat hij exact de taal spreekt van zijn geboortestreek, aangezien hij al op vijfjarige leeftijd uit Syrië is vertrokken.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden. De minister mocht zijn standpunt over de geloofwaardigheid van dit asielmotief namelijk baseren op de uitkomst van de taalanalyse en het onderzoek door Bureau Documenten. Zowel een rapport van een taalanalyse als een rapport van Bureau Documenten, kunnen volgens vaste rechtspraak van de Afdeling [4] aangemerkt worden als deskundigenadvies. [5] Als de inhoud van dergelijke rapporten inzichtelijk en concludent is en als de vreemdeling geen concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht waardoor aan de uitkomst getwijfeld kan worden, mag de minister uitgaan van de juistheid van dergelijke rapporten.
6.2.
Wat betreft de inhoud van de rapporten overweegt de rechtbank het volgende. Uit het rapport van de taalanalyse volgt dat niets in de spraak van eiser erop wijst dat hij ooit contact heeft gehad met uit Syrië afkomstige sprekers van het Kurmanji. [6] Dit terwijl volgens het rapport juist wel van eiser verwacht mag worden dat hij nog steeds een goede beheersing heeft van het Kurmanji-Koerdisch zoals dat gangbaar is in zijn gestelde geboortestreek in Syrië. Eiser stelt namelijk dat hij samen met zijn ouders, die hun hele leven in Syrië zouden hebben gewoond, naar Turkije is gevlucht. Bovendien zijn volgens het rapport ook in Turkije veel Syrisch-Koerdische vluchtelingen aanwezig. [7] Uit het onderzoek door Bureau Documenten blijkt daarnaast dat de door eiser overgelegde Syrische identiteitsverklaring afwijkt van het beschikbare vergelijkingsmateriaal. Dit document is daarom met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd opgemaakt en afgegeven. De rechtbank overweegt dat de minister, gezien de uitkomst van beide onderzoeken, de gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden. De rechtbank betrekt hier ook bij dat eiser tijdens de gehoren, in beroep en op de zitting geen concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht die twijfel kunnen zaaien over de uitkomst van deze onderzoeken. [8] De beroepsgrond slaagt niet.
6.3.
Ten overvloede wil de rechtbank wel benadrukken dat de minister niet zomaar had kunnen tegenwerpen dat eiser andere verklaringen over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst heeft afgelegd in Kroatië. Eiser heeft uitgelegd waarom hij in Kroatië andere persoonsgegevens heeft opgegeven. Hij was jong en kwetsbaar en een Irakees gezin dat zich ook in Kroatië bevond heeft zich toen over hem ontfermd. Dit gezin heeft hem gezegd dat hij deze gegevens moest doorgeven. [9] De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom eiser met deze uitleg niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij met afwijkende persoonsgegevens staat geregistreerd in Kroatië. Dit laat echter onverlet dat de minister de gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst wel ongeloofwaardig heeft mogen achten, vanwege hetgeen hierboven onder 6.1 en 6.2 is overwogen.
Amv-buitenschuldvergunning
7. Eiser brengt ook naar voren dat hij hier als amv’er naartoe is gekomen en dat hij destijds in het bezit had moeten worden gesteld van een reguliere buitenschuldvergunning. De ouders van eiser konden hem geen adequate opvang bieden. Door lang te wachten met het nemen van een beslissing heeft de minister wel degelijk te weinig rekening gehouden met de belangen van het kind.
7.1.
Ten aanzien van de amv-buitenschuldvergunning is het volgende juridische kader van belang. Uit het arrest T.Q. [10] van het Hof [11] en de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2022 [12] volgt dat de minister verplicht is om voorafgaand aan het terugsturen van een minderjarige vreemdeling zich ervan te overtuigen dat die minderjarige vreemdeling wordt teruggestuurd naar een familielid, een aangewezen voogd of adequate opvangfaciliteiten in het land van terugkeer. [13] Verder volgt uit de Afdelingsuitspraak dat, op het moment dat een niet-begeleide minderjarige vreemdeling meerderjarig is geworden, de minister niet langer is gehouden te onderzoeken of adequate opvang in een land van terugkeer aanwezig is, mits hij gedurende de minderjarigheid van de vreemdeling voortvarend aan dat onderzoek heeft gewerkt. Het ligt op de weg van de minister om dat in het concrete geval aan te tonen. De minister moet in zijn besluit inzichtelijk maken welke stappen hij in die periode heeft ondernomen en wat de redenen voor de vertraging van het onderzoek naar adequate opvang waren. Daarbij kan hij betekenis toekennen aan de leeftijd van de vreemdeling ten tijde van de asielaanvraag, de beslistermijn op de asielaanvraag en de duur van het onderzoek.
7.2.
De rechtbank stelt vast dat de minister ten tijde van eisers minderjarigheid onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan de vraag of er voor eiser adequate opvang is indien hij als minderjarige Nederland zou moeten verlaten. Hiertoe is van belang dat eiser op 18 november 2022 asiel heeft aangevraagd. Hij was toen 16 jaar en 11 maanden oud. Tijdens het aanmeldgehoor op 13 februari 2023 zijn aan eiser enkele vragen gesteld over zijn ouders en het contact dat hij met hen onderhoudt. Eerst op 21 februari 2024, eiser was inmiddels 18 jaar, doet de minister vervolgonderzoek naar de vraag of eiser terug zou kunnen keren naar zijn ouders. De minister heeft geen verklaring gegeven voor het feit dat hij met het nader gehoor zo lang heeft gewacht.
7.3.
Dit gebrek leidt in de onderhavige situatie echter niet tot gegrondverklaring van het beroep nu eiser hierdoor niet in zijn belangen is geschaad. [14] De minister heeft zich in het bestreden besluit namelijk op goede gronden op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden die met terugwerkende kracht tot aan meerderjarigheid hadden moeten leiden tot het ambtshalve verlenen van een amv-buitenschuldvergunning. [15] Tijdens het aanmeldgehoor, vier maanden na zijn asielaanvraag, is eiser gevraagd of hij nog contact heeft met zijn ouders. Eiser heeft toen verklaard dat hij tot aan zijn vertrek uit Turkije altijd bij zijn ouders heeft gewoond, dat zijn ouders weten dat hij in Nederland is en dat hij ze twee of drie dagen geleden voor het laatst heeft gesproken. [16] Tijdens het nader gehoor heeft eiser aangegeven dat zijn ouders altijd voor hem hebben gezorgd. Hij heeft toen ook het telefoonnummer van zijn ouders doorgegeven en aangegeven dat hij zijn ouders nog steeds iedere twee à drie dagen spreekt. [17] De minister heeft zich volgens de rechtbank daarom niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat er tijdens de minderjarigheid van eiser adequate opvang beschikbaar was bij zijn ouders in Turkije. Zoals de minister opmerkt, ligt de zorgplicht in principe bij de ouders en zijn er geen indicaties naar voren gekomen waaruit blijkt dat er geen adequate opvang beschikbaar was bij de ouders. De beroepsgrond slaagt niet.
Terugkeerbesluit en risico op refoulement
8. Daarnaast geeft eiser aan dat bij terugkeer altijd in ogenschouw moet worden genomen of er sprake is van een risico op refoulement. Volgens eiser had er geen terugkeerbesluit naar Syrië, Irak of Turkije opgelegd kunnen worden zonder nader onderzoek naar de situatie in deze landen.
8.1.
De rechtbank zal hieronder eerst ingaan op enkele relevante jurisprudentie over toetsing van het refoulementrisico bij het opleggen van een terugkeerbesluit. Naar aanleiding van prejudiciële vragen die gesteld zijn door deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, [18] heeft het Hof in het arrest Ararat verduidelijkt dat artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn, gelezen in het licht van de artikelen 4 en 19, tweede lid van het Handvest [19] , de minister verplicht om een actuele beoordeling van het refoulementrisico te maken vóór de uitvoering van het terugkeerbesluit. [20] Rechtbank Roermond heeft vervolgens in een tussenuitspraak overwogen dat, gelet op de systematiek van de vreemdelingenwet en meer in het bijzonder van de meeromvattende beschikking, uit het arrest Ararat volgt dat de minister deze actuele beoordeling van het refoulementrisico moet maken vóór de oplegging van het terugkeerbesluit omdat in de vreemdelingenwet niet is voorzien in een zelfstandig besluit tot verwijdering. [21] Bij uitspraak in hoger beroep tegen de einduitspraak van rechtbank Roermond [22] , heeft de Afdeling de hierboven genoemde tussenuitspraak van zittingsplaats Roermond bevestigd. [23]
8.2.
Uit bovenstaande jurisprudentie volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de minister bij het opnemen van één of meerdere landen van terugkeer in het terugkeerbesluit een kenbare en actuele beoordeling moet maken van de vraag of terugkeer naar deze landen strijdig is met het non-refoulementbeginsel. In tegenstelling tot wat de minister op zitting heeft gesteld, geldt dit naar het oordeel van de rechtbank óók als de nationaliteit en herkomst van een vreemdeling niet aannemelijk zijn geworden, nu bij de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn het beginsel van non-refoulement in elke fase van de terugkeerprocedure moet worden geëerbiedigd. [24] De rechtbank stelt vast dat de minister bij het opleggen van het terugkeerbesluit niet heeft beoordeeld of er bij terugkeer van eiser naar Syrië, Irak of Turkije sprake zal zijn van een risico op refoulement. Er is daarom sprake van een motiveringsgebrek in de besluitvorming. De minister zal van alle drie de landen die in het terugkeerbesluit zijn genoemd, moeten beoordelen of sprake is van een risico op refoulement. Daarbij zal rekening gehouden moeten worden met de verklaringen van eiser en met hetgeen algemeen bekend is over deze landen. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

9. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit vanwege strijd met de artikelen 3:2 (het zorgvuldigheidsbeginsel) en 3:46 (het motiveringsbeginsel) van de Awb. De overige beroepsgronden behoeven gelet hierop geen bespreking meer. Gelet op de aard van het geconstateerde gebrek ziet de rechtbank geen aanleiding het geschil finaal te beslechten. De minister zal daarom een nieuw besluit op de aanvraag van eiser moeten nemen en daarbij rekening moeten houden met deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken.
10. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht de vergoeding vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.46030:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.46031:
- wijst het verzoek af.
De rechtbank/voorzieningenrechter, in alle zaken:
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. D.G.T. de Hoop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Een ‘identificerend document voor niet-geregistreerde mensen in Syrië’.
3.Artikel 31, zesde lid, onder e, van de Vw.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.Uitspraken van 16 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:490 en 9 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1695.
6.Rapport taalanalyse, paragraaf 5.
7.Rapport taalanalyse, paragraaf 4.1.
8.Zie bijvoorbeeld rapport nader gehoor, pagina’s 4 en 8 en rapport aanvullend gehoor, pagina’s 6-8.
9.Rapport aanvullend gehoor, pagina’s 3-5.
10.Arrest van 14 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:9.
11.Hof van Justitie van de Europese Unie.
13.Artikelen 5, 6 en 10 van de Terugkeerrichtlijn (2008/115/EG).
14.Artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
15.Een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw.
16.Rapport van het aanmeldgehoor, pagina 7.
17.Rapport van het nader gehoor, pagina 6.
18.Uitspraak van 13 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:3154.
19.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
20.Arrest van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892, onder 38.
21.Uitspraak van 7 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:18269, onder 41.
22.Uitspraak van 18 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:21443.
23.Uitspraak van 2 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4178, onder 13.2 en 13.3.
24.Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 20 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:19515.