ECLI:NL:RBDHA:2026:4804
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging facultatieve tijdelijke bescherming en terugkeerbesluit Oekraïense derdelander
Eiser, een derdelander uit Oekraïne, kreeg facultatieve tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming 2001/55/EG. Verweerder beëindigde deze bescherming per 4 maart 2024 en vaardigde een terugkeerbesluit uit. Eiser betwistte dit en voerde diverse beroepsgronden aan, waaronder schending van het evenredigheidsbeginsel en het gezinsleven.
De rechtbank bevestigt dat verweerder bevoegd was de tijdelijke bescherming te beëindigen, mede gelet op eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak en het Hof van Justitie van de EU. De rechtbank oordeelt dat het terugkeerbesluit geen onrechtmatige inbreuk maakt op het gezins- en privéleven van eiser, aangezien zijn echtgenote in Oekraïne verblijft en hij zelf een permanente verblijfsvergunning voor Oekraïne heeft.
Verder is geen sprake van schending van het non-refoulementbeginsel of het evenredigheidsbeginsel. Het beroep tegen het besluit van 24 juli 2025 is niet-ontvankelijk, het beroep tegen de besluiten van 7 februari 2024 en 1 september 2025 ongegrond. Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de beëindiging van de tijdelijke bescherming en het terugkeerbesluit.