Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eiser 1] ,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Referent was ten tijde van zijn vlucht minderjarig. Dit geldt ook voor zijn broertjes en zusjes ten tijde van de aanvraag;De rechtbank brengt in herinnering dat op grond van artikel 3, eerste lid, van het IVRK [10] bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Aan die belangen, hoewel die belangen op zichzelf niet doorslaggevend hoeven zijn, dient dus aanzienlijk gewicht toe te komen.
- Dat het verloop van de nareisprocedure niet aan referent mag worden tegengeworpen.Referent heeft gelijk toen dat kon een aanvraag voor nareis voor zijn familieleden ingediend. Dat dit op niets is uitgelopen mag door verweerder niet in het nadeel van referent worden meegewogen. Er kan immers niet worden nagegaan of referent, die zich als alleenstaande minderjarige vreemdeling staande probeerde te houden, het begrip had dat hij, door de nareisprocedure al dan niet via de voogd van het Nidos prijs te geven, in een ander toetsingskader terecht zou komen, en er is ook verder geen concreet aanknopingspunt in de feiten voor de conclusie dat hier sprake was van een keuze van eiser zelf, laat staan van een welbewuste keuze daarvoor.
- Dat er sprake is van een vluchtsituatie en referent noodgedwongen vanwege de oorlog zijn familie heeft verlaten. Dat dat de situatie is, is niet in geschil. De beoordeling van verweerder mag vervolgens echter niet indruisen tegen de strekking van punt 8 van de Considerans van de Gezinsherenigingsrichtlijn [11] . Dit houdt in dat de situatie van vluchtelingen bijzondere aandacht vereist en gezinshereniging juist voor vluchtelingen onder gunstiger voorwaarden mogelijk moet zijn [12] ;
Dat referent werkt en daarmee in zijn eigen onderhoud voorziet en eventueel in de toekomst ook in dat van zijn familieleden.De rechtbank wijst verweerder erop dat hij bij de belangenafweging – en dan met name de weging van het economisch belang van de Nederlandse Staat – de individuele situatie van de jongvolwassene referent in aanmerking moet nemen om te voorkomen dat hij met een belangenafweging de vaststelling van familie- en gezinsleven op grond van het jongvolwassenenbeleid illusoir maakt. [13] Hierbij dienen de inspanningen die referent verricht om naar vermogen in zijn eigen onderhoud te voorzien en eventueel in de toekomst te voorzien in het onderhoud van zijn familieleden te worden betrokken, waarbij rekening moet worden gehouden met zijn leeftijd en levensfase en wat er aldus van hem mag worden verwacht. [14]