Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:3230

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
24/6736
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.E. van Essen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 PwArt. 19 PwArt. 34 PwArt. 50 Pw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit over vermogen bij bijstandsuitkering wegens onjuiste woningwaardering

Eiser vroeg op 7 november 2023 een bijstandsuitkering aan op grond van de Participatiewet. Het college wees de aanvraag af omdat het vermogen van eiser te hoog zou zijn, mede doordat een omgebouwde boogkas op zijn perceel niet als woning werd erkend. De boogkas was voorzien van eigen woonvoorzieningen en werd daadwerkelijk bewoond door eiser.

De rechtbank oordeelde dat de boogkas als zelfstandige woning in de zin van de Participatiewet moet worden aangemerkt, ondanks dat het gebruik niet was toegestaan onder het bestemmingsplan. Hierdoor had het college het vermogen gebonden in de woning en het erf niet mogen meenemen bij de vermogensvaststelling.

Het beroep van eiser werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuwe beslissing te nemen. Andere beroepsgronden, zoals het vertrouwensbeginsel en de vorm van bijstand als lening, werden verworpen. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd omdat de boogkas als woning moet worden aangemerkt, waardoor het vermogen onjuist is vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/6736

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. S. van der Eijk),
en
het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn, het college
(gemachtigde: mr. N.T. Bui).

Procesverloop

1. Eiser heeft op 7 november 2023 een uitkering aangevraagd op grond van de Participatiewet (Pw). Het college heeft eisers aanvraag op 18 januari 2024 afgewezen omdat eisers vermogen volgens het college te hoog was en heeft het aan hem verstrekte voorschot van € 1.040,21 teruggevorderd. Eiser heeft bezwaar gemaakt en dit bezwaar werd op 2 juli 2024 ongegrond verklaard (het bestreden besluit).
1.1.
Eiser heeft op 9 augustus 2024 beroep ingesteld en het beroep op 10 september 2024 aangevuld. Het college heeft op 22 oktober 2024 gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van het college deelgenomen.

Toetsingskader

2. De voor deze zaak relevante wet- en regelgeving staat in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt aan de hand van eisers beroepsgronden of het college het bestreden besluit terecht heeft genomen.
Had het college eisers boogkas moeten aanmerken als woning?
4. Eiser woonde ten tijde van de uitkeringsaanvraag en het bestreden besluit in een door hem omgebouwde boogkas. Deze stond op een van twee aangesloten percelen van eiser die zijn gelegen naast [adres] in [plaats] . De percelen zijn kadastraal bekend als [perceel 1] en [perceel 2] . De boogkas is in het kader van een handhavingsprocedure op last van het college verwijderd. Volgens eiser had het college bij het bestreden besluit deze boogkas moeten beschouwen als woning in de zin van de Pw, waardoor het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf niet in aanmerking zou zijn genomen. Door dit niet te doen heeft het college eisers vermogen ten onrechte boven de vermogensgrens voor een bijstandsuitkering vastgesteld.
4.1.
Volgens het college moest de boogkas niet worden beschouwd als een woning in de zin van de Pw. Daarom konden eisers percelen worden meegenomen bij de vaststelling van zijn vermogen. Omdat de percelen een waarde hadden van € 30.000,-, stelt het college terecht te hebben vastgesteld dat eisers vermogen de voor toekenning van een uitkering geldende vermogensgrens van € 7.605,- had overschreden.
4.2.
In artikel 34, tweede lid, onder d en artikel 50 van Pro de Pw wordt bepaald dat een vrijstelling geldt voor het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen. Op het moment van het bestreden besluit bedroeg deze vermogensgrens € 67.500,-. Volgens artikel 3, zesde lid, van de Pw wordt onder een woning mede verstaan een woonwagen of een woonschip. Uit de memorie van toelichting bij de Wet werk en bijstand, de voorganger van de Participatiewet, blijkt dat voor wat betreft het begrip “woning” is aangesloten bij de Huursubsidiewet. [1] Als “zelfstandige woning” wordt daarin verstaan een woning voorzien van een eigen toegang, waarbij wezenlijke woonfuncties zoals woon- en slaapruimte, was- en kookgelegenheid en toilet niet met een andere woning worden gedeeld. Eigen toegang houdt in dat men de woonruimte kan bereiken zonder daarbij vertrekken of gangen te hoeven passeren waarover anderen zeggenschap hebben. Jurisprudentie bevestigt dat een woning in de zin van de Pw een zelfstandige woonruimte betreft met een eigen -in en uitgang die de wezenlijke functies niet deelt met een andere woning [2] en die qua voorzieningen niet (volledig) afhankelijk is van een andere woning. [3]
4.3.
Volgens eiser was de boogkas voor een bedrag van € 55.000,- omgebouwd tot zelfstandige woonruimte met eigen voorzieningen. Uit het dossier blijkt dat er een centrale verwarming was, die met een gasfles werd gestookt, [4] en dat de boogkas beschikte over een eigen watervoorziening. [5] De stroomvoorziening kwam van het naastgelegen adres en werd geregeld met een eigen groepenkast. [6] Het bouwwerk had een eigen keuken, badkamer en eigen woonvertrekken, waaronder een woonkamer, eetkamer en slaapkamer. [7] Deze feitelijke eigenschappen van het bouwwerk en het gebruik als woning zoals door eiser beschreven zijn door het college niet betwist. Eiser verbleef ook daadwerkelijk in de boogkas. De rechtbank is van oordeel dat, met het oog op bovenstaande, de door eiser bewoonde boogkas diende te worden aangemerkt als woning in de zin van de Pw. Dat eisers gebruik van het bouwwerk als woning niet was toegestaan onder het ter plaatse geldende bestemmingsplan, betekent niet dat het bouwwerk geen woning was in de zin van de Pw.
4.4.
Omdat de boogkas gold als woning in de zin van de Pw, kon het college deze woning en het bijbehorend erf niet betrekken bij de vaststelling van eisers vermogen, tot de vrijstellingsgrens van € 67.500,-. Eisers vermogen is dan ook niet juist vastgesteld door het college.
4.5.
Deze beroepsgrond slaagt.
4.6.
Omdat de rechtbank tot het oordeel komt dat het college eisers woning en bijbehorend erf ten onrechte heeft betrokken bij de vaststelling van zijn vermogen, behoeft de beroepsgrond geen bespreking waarin wordt aangevoerd dat het college bij overschrijding van de vermogensgrens alsnog een bijstandsuitkering had moeten toekennen.
Heeft het college gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel?
5. Volgens eiser is het bestreden besluit genomen in strijd met het vertrouwensbeginsel, omdat bij hem door het college de gerechtvaardigde verwachting was gewekt dat zijn bijstandsaanvraag zou worden toegekend. Zo zou volgens eiser een medewerker van het college hem hebben voorgehouden dat het met zijn bijstandsaanvraag in orde zou komen en zou het college in andere bestuursrechtelijke procedures aan eiser hebben laten weten dat het hem vrijstond een bijstandsuitkering aan te vragen en dat hij hiervoor in aanmerking kwam.
5.1.
Volgens het college kan eiser geen geslaagd beroep doen op het vertrouwensbeginsel. Ten eerste is de specialist inkomen met wie eiser heeft gesproken niet bevoegd om een besluit over de bijstandsaanvraag te nemen. Ook blijkt uit het aanvraagdossier en een verklaring van de specialist inkomen dat er geen sprake was van een concrete, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging die was gedaan door een daartoe bevoegde functionaris. Dat de medewerker mogelijk heeft aangeraden om een uitkering aan te vragen en dat hij eiser daarbij behulpzaam is geweest, is te zien als een klantvriendelijke benadering. Een uitlating als "ik maak het in orde" kan ook betekenen dat de aanvraag in behandeling zal worden genomen en is geen concrete toezegging dat bijstand zou worden toegekend.
5.2.
Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat van de zijde van het college toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht, waaruit eiser in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat het college zijn aanvraag om een bijstandsuitkering zou toekennen. [8] Uit hetgeen bij beroep door partijen is aangevoerd blijkt dat eiser gesprekken heeft gehad met medewerkers van het college over de aanvraagprocedure voor een bijstandsuitkering, maar blijkt niet dat aan eiser de toezegging is gedaan dat hem in zijn situatie een bijstandsuitkering zou worden toegekend.
5.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Moest het college bijstand in de vorm van een lening schriftelijk aanbieden?
6. Volgens eiser had de bijstand hem desnoods in de vorm van een lening moeten worden verstrekt. Volgens het college is eiser een bijstandsuitkering in de vorm van een lening aangeboden, maar heeft eiser dit geweigerd. Dat het college de lening heeft aangeboden wordt door eiser bevestigd, maar volgens hem had hem dit aanbod op schrift moeten worden voorgelegd, waarna het aan hem was geweest om daarvan wel of geen gebruik te maken.
6.1.
Op grond van artikel 50, tweede lid, onder b, van de Pw heeft bijstand de vorm van een geldlening indien het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf uitkomt boven de vermogensgrens van artikel 34, tweede lid, van de Pw. Het college heeft eiser aangeboden hem een renteloze geldlening te verstrekken, maar eiser heeft meerdere keren telefonisch aangegeven hier geen gebruik van te willen maken. Het college heeft in het primaire besluit opgenomen dat eiser had aangegeven geen lening te willen ontvangen. Eiser kon hiertegen opkomen in de bezwaarprocedure. In het verslag van de hoorzitting tijdens de bezwaarprocedure is opgenomen dat het college eiser bijstand in de vorm van een geldlening heeft aangeboden, maar dat eiser daarvoor heeft bedankt omdat hij het een sigaar uit eigen doos achtte. Ook in het bestreden besluit is opgenomen dat eiser heeft aangegeven geen bijstand in de vorm van een geldlening te willen ontvangen.
6.2.
Bij deze stand van zaken heeft het college, na de reactie van eiser, terecht afgezien van het verstrekken van bijstand in de vorm van een geldlening. Dat dit aanbod niet schriftelijk is gedaan doet daar niet aan af, ook nu eiser bij bezwaar en beroep tegen dit besluit kon opkomen.
6.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Omdat het college eisers woning en bijbehorend erf ten onrechte heeft betrokken bij de vaststelling van eisers vermogen, berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering. Het beroep is in zoverre gegrond.
7.1.
Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien nu zij over onvoldoende informatie beschikt om zelf op juiste wijze het vermogen van eiser vast te kunnen stellen.
7.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en een vergoeding van zijn proceskosten betalen. De proceskostenvergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.868,- (één punt voor het indienen van een beroepschrift en één punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat het college een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden; en
  • veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E. van Essen, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.A. Stok, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026.
de griffier is buiten staat te tekenen
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Participatiewet
Artikel 3
(…)
6 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder een woning mede verstaan een woonwagen of een woonschip (…).
Artikel 191 Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op algemene bijstand indien:
a. het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm; en
er geen in aanmerking te nemen vermogen is. (…)
Artikel 34
(…)
2 Niet als vermogen wordt in aanmerking genomen: (…)
b. het aanwezige vermogen voorzover dit minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens, genoemd in het derde lid; (…)
d. het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf, bedoeld in artikel 50, eerste lid, voorzover dit minder bedraagt dan € 65.500,00 (…)
3 De in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde vermogensgrens is:
a. voor een alleenstaande: € 7.770,00 (…).
Artikel 50
1. De belanghebbende die eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf, heeft recht op bijstand voor zover tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring, van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd. (…)

Voetnoten

1.Memorie van toelichting bij de Wet werk en bijstand, kamerstuk 28870, nr. 3, 2002-2003, p. 32.
2.Zie o.a. de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 12 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2015:1498, onder 4.3. Vgl. ook de uitspraak van de CRvB van 17 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2159, onder 4.5 en de uitspraak van de CRvB van 21 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:79, onder 4.5.
3.Zie ook de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 november 2022 onder 4.5. Vgl. ook de uitspraak van de CRvB van 21 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1370, onder 4.4.2.
4.Advies extern adviseur in bezwaarprocedure, p. 8.
5.Advies extern adviseur in bezwaarprocedure, p. 8.
6.Advies extern adviseur in bezwaarprocedure, p. 8.
7.Bezwaarschrift van 19 februari 2024, p. 2.
8.Zie over het toetsingskader van het vertrouwensbeginsel o.a. de uitspraak van de CRvB van 14 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1556, r.o. 4.4 en de uitspraak van de CRvB van 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:559, r.o. 4.1.