ECLI:NL:RBDHA:2026:2096

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
NL24.11736
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 3 Verordening 2018/1860Richtlijn 2001/55/EGUitvoeringsbesluit (EU) 2022/382
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging facultatieve tijdelijke bescherming en oplegging terugkeerbesluit aan derdelander

Eiser, een derdelander uit Nigeria met tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne, kreeg facultatieve tijdelijke bescherming in Nederland op grond van de EU-Richtlijn tijdelijke bescherming. De minister beëindigde deze bescherming per 4 maart 2024 en legde een terugkeerbesluit op. Eiser betwistte dit en stelde meerdere beroepsgronden aan, waaronder het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht de tijdelijke bescherming heeft beëindigd op 4 maart 2024, conform het arrest Kaduna van het Hof van Justitie en de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak. De bevriezingsmaatregel die eiser aanvoert verlengt de bescherming niet, maar schort slechts de gevolgen tijdelijk op. Het terugkeerbesluit is daarom niet prematuur.

Verder is de minister verplicht een SIS-signalering te plaatsen bij een terugkeerbesluit, ongeacht of eiser regels heeft overtreden. De rechtbank verklaart het beroep tegen het besluit van 21 februari 2024 niet-ontvankelijk omdat dit besluit is vervangen. Het beroep tegen het besluit van 15 oktober 2025 wordt ongegrond verklaard. De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit van 15 oktober 2025 wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen het besluit van 21 februari 2024 niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.11736

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. I. Petkovski),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de aan eiser toegekende facultatieve tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming (Richtlijn) en de oplegging van meerdere terugkeerbesluiten. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht de aan eiser toegekende facultatieve tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 heeft geëindigd en per die datum een terugkeerbesluit heeft opgelegd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 21 februari 2024 heeft de minister een terugkeerbesluit genomen waarin aan eiser is meegedeeld dat de aan hem toegekende tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 eindigt. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld (NL24.11736) en heeft hij verzocht een voorlopige voorziening te treffen (NL24.11737).
2.1.
Bij uitspraak van 4 april 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats dit verzoek toegewezen en bepaald dat eiser moet worden behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming op hem van toepassing is, tot uitspraak is gedaan op het beroep. [1]
2.2.
Op 18 september 2025 heeft de minister het voornemen kenbaar gemaakt om eisers oude terugkeerbesluit in te trekken en te vervangen voor een nieuw terugkeerbesluit. Op 24 september 2025 heeft de gemachtigde van eiser aanvullende gronden ingediend.
Bij besluit van 15 oktober 2025 heeft de minister definitief aan eiser meegedeeld dat het oude terugkeerbesluit is ingetrokken en vervangen door een nieuw terugkeerbesluit. Eiser heeft op 15 oktober 2025 verwezen naar de eerder op 24 september 2025 ingediende gronden.
2.3.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [2]
Feiten en inleidende opmerkingen
3. Eiser komt uit Nigeria. Hij had in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met een grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier als zogeheten derdelander facultatieve tijdelijke bescherming verkregen op grond van de Richtlijn en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 [3] van 4 maart 2022 (Uitvoeringsbesluit). Ook heeft hij, om deze tijdelijke bescherming te kunnen krijgen, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Deze aanvraag is op 10 augustus 2023 buiten behandeling gesteld. Hiertegen is geen beroep ingesteld.
3.1.
De minister heeft aanvankelijk bepaald dat de facultatieve tijdelijke bescherming met ingang van 4 september 2023 eindigt. Dit heeft de minister aan eiser bij besluit van
10 augustus 2023 bekendgemaakt. Met dit besluit is aan eiser ook een terugkeerbesluit opgelegd. De minister heeft dit besluit alleen ingetrokken nadat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 17 januari 2024 had bepaald dat het recht op tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning van rechtswege niet op deze datum kon eindigen, maar van rechtswege zou eindigen op 4 maart 2024.
3.2.
De minister heeft op 21 februari 2024 opnieuw een terugkeerbesluit opgelegd en vastgesteld dat eiser met ingang van 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en de Europese Unie moet verlaten. Tegen dit besluit heeft eiser het onderhavige beroep ingediend.
3.3.
Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, en de Afdeling hebben op 29 maart 2024 [4] en 25 april 2024 [5] prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie. Deze vragen zijn beantwoord in een arrest van 19 december 2024 (arrest Kaduna). [6] Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat het Unierecht het een lidstaat toestaat om de verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip in te trekken dan dat waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft. Ook heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het lidstaten niet is toegestaan een terugkeerbesluit te nemen voordat de tijdelijke bescherming is beëindigd.
De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 [7] uitgelegd hoe het arrest van het Hof van Justitie dient te worden toegepast en bevestigd dat de tijdelijke bescherming voor derdelanders op 4 maart 2024 is geëindigd. Bij brief van 3 juni 2025 heeft de minister meegedeeld dat hij besloten heeft om naar aanleiding van deze Afdelingsuitspraken de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 te beëindigen. [8] Op 10 juli 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, naar aanleiding van het arrest van 19 december 2024 einduitspraak gedaan. [9]
3.4.
Bij besluit van 15 oktober 2025 heeft de minister eiser medegedeeld dat het oude terugkeerbesluit van 21 februari 2024 wordt ingetrokken en vervangen door een nieuw terugkeerbesluit.
Beroep tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024
4. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit van 21 februari 2024. De minister heeft het prematuur genomen terugkeerbesluit van 21 februari 2024, als gevolg van het arrest Kaduna en de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025, vervangen door het terugkeerbesluit van
15 oktober 2025. Eiser heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die meebrengen dat hij toch een belang heeft bij het tegen het besluit van 21 februari 2024 gerichte beroep. Daarom is het beroep in zoverre niet-ontvankelijk.
Is de tijdelijke bescherming van eiser op 4 maart 2024 beëindigd?
5. In het besluit van 15 oktober 2025 staat dat de minister het eerdere terugkeerbesluit van 21 februari 2024 intrekt en vervangt door het met dat besluit opgelegde terugkeerbesluit. De rechtbank zal dit besluit aanmerken als een besluit tot vervanging, als bedoeld in artikel 6:19 van Pro de Awb, van het eerdere terugkeerbesluit. De rechtbank zal hierna de tegen dit besluit aangevoerde beroepsgronden bespreken.
6. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte, onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025, op het standpunt heeft gesteld dat hij per 4 maart 2024 geen tijdelijke bescherming meer heeft en daarom een terugkeerbesluit kan worden opgelegd. In het arrest Kaduna heeft het Hof van Justitie de verwijzende rechter opgedragen om na te gaan of de minister een toezegging heeft gedaan dat de facultatieve tijdelijke bescherming niet eerder kan eindigen dan de tijdelijke bescherming van verplichte groepen, maar de Afdeling is hierop in de uitspraak van 23 april 2025 niet ingegaan. Ook staat het evenredigheidsbeginsel volgens eiser in de weg aan de beëindiging van de tijdelijke bescherming. Daarnaast betoogt eiser dat hij, gelet op de bevriezingsmaatregel, tot 4 september 2025 nog tijdelijke bescherming had, zodat het terugkeerbesluit prematuur is.
6.1.
De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 geoordeeld dat de minister de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne mocht beëindigen op 4 maart 2024. In deze uitspraken heeft de Afdeling ook geoordeeld [10] , onder verwijzing naar haar eerdere uitspraak van 17 januari 2024 [11] , dat de minister geen toezeggingen heeft gedaan waaruit derdelanders mochten afleiden dat hun tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur daarvan was bereikt. De Afdeling heeft overwogen dat geen reden bestaat om op dit punt tot een ander oordeel te komen. In de uitspraak van 17 januari 2024 heeft de Afdeling daarnaast nog geoordeeld dat de minister geen gegronde verwachtingen heeft gewekt dat derdelanders altijd hetzelfde zouden worden behandeld als andere ontheemden uit Oekraïne die tijdelijke bescherming hebben gekregen. Dat de Afdeling in het kader van het vertrouwensbeginsel slechts zou zijn ingegaan op de maximale duur en niet de gelijkstelling met andere ontheemden, zoals eiser stelt, volgt de rechtbank dus niet. De rechtbank verwijst verder nog naar haar eerdere uitspraak van 1 november 2023. [12] De beroepsgrond slaagt in zoverre dus niet.
6.2.
Dat het evenredigheidsbeginsel in de weg staat aan de beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 volgt de rechtbank ook niet. De minister stelt terecht dat voor een individuele belangenafweging geen plaats is. Met het besluit om terug te komen op de toepassing van de facultatieve bepaling voor derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne bestaat geen grondslag meer voor de toekenning en de voortzetting van tijdelijke bescherming aan deze groep. De minister heeft daarom terecht gesteld dat de op een betrokkene toegespitste beoordeling niet verder gaat dan de beoordeling of terecht is vastgesteld dat de tot dan toe genoten tijdelijke bescherming was gebaseerd op het gegeven dat de derdelander beschikte over een tijdelijke Oekraïense verblijfsvergunning en daarnaast niet op een andere grond aanspraak kan worden gemaakt op tijdelijke bescherming. De rechtbank verwijst ook naar de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 [13] en de uitspraak van deze zittingsplaats van 28 maart 2024. [14]
6.3.
Het betoog dat het terugkeerbesluit prematuur is genomen, gelet op de bevriezingsmaatregel van de minister om de tijdelijke bescherming pas feitelijk vanaf
4 september 2025 te beëindigen, slaagt ook niet. In de uitspraken van 23 april 2025 heeft de Afdeling bevestigd dat de tijdelijke bescherming (van rechtswege) op 4 maart 2024 is geëindigd. Dat eiser daarna nog gebruik heeft gemaakt van de rechten van de Richtlijn komt omdat de gevolgen van het stoppen van de tijdelijke bescherming zijn bevroren als gevolg van de gestelde prejudiciële vragen. Deze bevriezing houdt echter niet in dat de tijdelijke bescherming is verlengd, maar enkel dat een betrokkene nog feitelijk mag gebruikmaken van de rechten die hij onder de tijdelijke bescherming had. Dit is niet meer dan een (tijdelijke) opschorting. [15] De rechtbank verwijst ter vergelijking in dit verband naar het arrest Gnandi van 19 juni 2018. [16] Daaruit volgt dat het recht om een rechtsmiddel in een verblijfsrechtelijke procedure op het grondgebied af te wachten niet maakt dat de betrokkene niet ‘illegaal’ is in de zin van de Terugkeerrichtlijn.
SIS-signalering
7. Eiser betoogt verder dat er geen reden is om een terugkeerbesluit met SIS-melding op te leggen. Eiser heeft geen regels overtreden en eerdere terugkeerbesluiten zijn vernietigd.
7.1.
Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Verordening 2018/1860 [17] voeren de lidstaten in het SIS signaleringen in van onderdanen van derde landen tegen wie een terugkeerbesluit is uitgevaardigd om te verifiëren of aan de terugkeerverplichting is voldaan en om de tenuitvoerlegging van terugkeerbesluiten te ondersteunen. Wanneer een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd, wordt onverwijld een signalering inzake terugkeer in het SIS ingevoerd.
7.2.
De rechtbank stelt vast dat in deze bepaling dwingend is voorgeschreven dat de lidstaten verplicht zijn een betrokkene tegen wie een terugkeerbesluit is uitgevaardigd te signaleren in het SIS. Daarom was de minister verplicht om in het geval van eiser het terugkeerbesluit te registreren. [18] In hetgeen eiser hiertegen aanvoert ziet de rechtbank geen reden voor een ander oordeel. De stelling van eiser dat hij geen regels heeft overtreden neemt niet weg dat de minister (terecht) een terugkeerbesluit heeft opgelegd. Anders dan eiser verder betoogt, zijn geen eerdere terugkeerbesluiten vernietigd. De rechtbank merkt tot slot nog op dat de SIS-registratie verdwijnt nadat eiser heeft voldaan aan zijn terugkeerplicht.
Conclusie
8. Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep tegen het besluit van
15 oktober 2025 ongegrond.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 21 februari 2024, is niet-ontvankelijk. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 15 oktober 2025, is ongegrond.
9.1.
De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934, bestaande uit een punt voor het indienen van de gronden in het beroep tegen het ingetrokken besluit van 21 februari 2024, met een waarde per punt van € 934 en wegingsfactor 1 (gemiddeld).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het besluit van 21 februari 2024 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 15 oktober 2025 ongegrond;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay-Cenik, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag, zp. Arnhem 4 april 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4786.
2.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
3.Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Pro Richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan.
6.ECLI:EU:C:2024:1038 (Kaduna).
8.TK 2024-2025, 19637, nr. 3434.
11.ECLI:NL:RVS:2024:32, onder 10.2.
12.ECLI:NL:RBDHA:2023:16410, onder 16.1.
13.Onder 10.3.
15.Zie ook ABRvS 31 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5214.
16.ECLI:EU:C:2018:465, punt 44 ev. Zie ook ABRvS 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1530, onder 8 en 9.
17.Verordening (EU) 2018/1860 van het Europees Parlement en de Raad van 28 november 2018 betreffende het gebruik van het Schengeninformatiesysteem voor de terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen.
18.ABRvS 14 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1075.