ECLI:NL:RBDHA:2026:19268

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
12 juli 2026
Zaaknummer
NL24.21094 en NL24.21095
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8 EVRMArt. 3.6ba VbArt. 14 lid 1 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit minister over vrijstelling mvv-vereiste en verblijfsvergunning wegens medische situatie en artikel 8 EVRM

Eiseres, een 80-jarige vrouw met ernstige medische klachten, waaronder epilepsie en vermoedelijke dementie, verblijft sinds 2022 bij haar zoon in Nederland. Zij vroeg om een verblijfsvergunning met vrijstelling van het mvv-vereiste op medische gronden en op grond van artikel 8 EVRM Pro. De minister wees dit af en handhaafde dit besluit na bezwaar.

De rechtbank oordeelt dat de minister de medische situatie van eiseres onvoldoende zorgvuldig en gemotiveerd heeft beoordeeld. Het BMA-advies werd betwist en de minister heeft niet voldaan aan zijn vergewisplicht. Ook de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro is ondeugdelijk, omdat de minister onvoldoende rekening hield met de persoonlijke omstandigheden, de binding met Nederland en de beperkte zorgmogelijkheden in Noord-Macedonië.

Daarnaast is het beroep op schrijnendheid en de hardheidsclausule onvoldoende gemotiveerd afgewezen. De minister dient de zaak alsnog voor te leggen aan de commissie Schrijnende Zaken. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en het aanvullende besluit en draagt de minister op binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de verslechterde medische situatie en het tijdsverloop moeten worden betrokken. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van de minister wordt vernietigd met opdracht tot een nieuw besluit binnen twaalf weken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL24.21094 (beroep)
NL24.21095 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de meervoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedag] 1946, burger van Noord-Macedonië,
eiseres/verzoekster, hierna eiseres,
(gemachtigde: mr. N. Vreede),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna de minister

(gemachtigden: mr. C. Wesenbeek en mr. Y. D. Ancion).

Procesverloop

1.1.
Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning voor het doel ‘Verblijf als familie- of gezinslid’ bij haar oudste zoon en zijn echtgenote en bij haar kleindochter. De minister heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 14 april 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 22 april 2024 heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
1.
1.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend die ertoe strekt dat zij niet wordt uitgezet zolang nog niet op haar beroep is beslist.
1.3.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 17 november 2025 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, referent [persoon 1] en diens echtgenote [persoon 2] , de jongste zoon van eiseres en de gemachtigde van de minister mr. C. Wesenbeek.
1.5.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de minister in de gelegenheid gesteld om een aanvullend advies van het BMA [1] en een aanvullende motivering in het geding te brengen.
1.6.
De minister heeft het BMA-advies van 19 januari 2026 overgelegd. Daarop heeft eiseres op 10 maart 2026 en 11 maart 2026 gereageerd. De minister heeft op 26 maart 2026 een aanvullend besluit genomen. Daarop heeft eiseres op 16 april 2026 gereageerd.
1.7.
Nadat partijen toestemming hebben verleend om zonder een nadere zitting uitspraak te doen, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en omstandigheden
2. Eiseres is inmiddels 80 jaar oud en verblijft sinds 26 juni 2022 in Nederland bij haar oudste zoon, tevens referent, en diens echtgenote. Haar jongste zoon woont ook in Nederland, samen met zijn echtgenote en hun dochter. Eiseres kampt met medische klachten, te weten epilepsie, depressieve gevoelens, hoge bloeddruk en bloedarmoede. Eiseres heeft in het verleden TIA’s [2] gehad en zij heeft cognitieve stoornissen. Haar behandelaars gaan ervan uit dat dit dementie is, maar een officiële diagnose is niet gesteld. Nadat eiseres epileptische aanvallen kreeg, vergeetachtig werd en vermagerde, besloot referent haar mee te nemen naar Nederland en heeft hij op 10 november 2022 een verblijfsvergunning aangevraagd. Daarbij heeft hij om vrijstelling van het mvv [3] -vereisteverzocht op medische gronden en op grond van artikel 8 van Pro het EVRM [4] .
Bestreden besluit
3. De minister heeft de afwijzing van de aanvraag in het bestreden besluit gehandhaafd wegens het ontbreken van een mvv. In afwijking van het primaire besluit heeft de minister zich onder verwijzing naar de BMA-adviezen van 8 februari 2023, 22 maart 2023 en 22 februari 2024 op het standpunt gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste vanwege haar medische situatie. Eiseres komt evenmin in aanmerking voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 8 van Pro het EVRM, omdat de minister geen familieleven aanneemt tussen eiseres en haar oudste zoon en zijn echtgenote. Evenmin neemt de minister hechte persoonlijke banden aan tussen eiseres en haar kleindochter. De minister ziet verder geen aanleiding eiseres ambtshalve een verblijfsvergunning regulier te verlenen vanwege schrijnendheid.
Heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat eiseres niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste vanwege haar gezondheidstoestand [5] ?
4.1.
Eiseres heeft het BMA-advies uit 2024 gemotiveerd betwist. Gelet op het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat niet langer in geschil is dat door eiseres voldoende aanknopingspunten zijn aangedragen om te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van het BMA-advies van 2024. De minister heeft dan ook niet aan zijn vergewisplicht voldaan. Het bestreden besluit is daarmee onzorgvuldig tot stand gekomen en gebrekkig gemotiveerd.
4.
4.2.
De minister heeft naar aanleiding van het ingestelde beroep het BMA om een aanvullend advies gevraagd. Naar aanleiding van dit BMA-advies van 19 januari 2026 heeft de minister de motivering van het bestreden besluit deels herzien en aangevuld met het besluit van 26 maart 2026. De vraag is of de minister hiermee de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit heeft hersteld.
4.3.
Het BMA heeft in het laatste advies van 19 januari 2026 de medische informatie betrokken evenals de medicatie die eiseres gebruikt. In het advies staat dat bij het uitblijven van bloedverdunners een medische noodsituatie op korte termijn is te verwachten, maar dat die medicatie beschikbaar is. Verder heeft het BMA bevestigd dat eiseres afhankelijk is van de mantelzorg die referent en zijn echtgenote verlenen, dat deze mantelzorg essentieel is voor het welslagen van haar behandeling, dat eiseres zich zonder deze mantelzorg niet zelfstandig zal kunnen handhaven. Het BMA geeft tot slot aan dat eiseres niet kan reizen, tenzij fysieke overdracht aan een professionele zorginstelling is geregeld. Het BMA noemt twee zorginstellingen waar eiseres terecht kan voor zorg in een verpleegtehuis namelijk [naam 1] en [naam 2] te [plaats] .
4.4.
Eiseres heeft in reactie op dit advies gewezen op het feit dat zij dementieklachten heeft en zij al een e-mailbericht van [naam 1] van 20 mei 2024 heeft overgelegd waarin is bevestigd dat deze zorginstelling geen mensen met dementie opneemt. Dat heeft de zorginstelling op 11 maart 2026 desgevraagd herhaald. Ook uit de in het BMA-advies aangehaalde landeninformatie over de zorg van patiënten met dementie blijkt dat er in Noord-Macedonië geen 24/7 thuiszorg aanwezig is. Dat er ten aanzien van eiseres geen officiële diagnose is gesteld, neemt niet weg dat eiseres aan dementie gerelateerde klachten heeft en haar behandelaars haar cognitieve stoornissen daaraan linken.
4.5.
De rechtbank stelt vast dat in brondocument AVA20120 weliswaar staat dat verpleeghuiszorg beschikbaar is in [naam 1] maar dat deze zorginstelling dat zelf twee keer heeft ontkend. Ten aanzien van het [naam 2] vermeldt het brondocument het volgende:
“a. This treatment is available at the [naam 2] , [website] [plaats] . This center provides care/support by nurses at a patients' home for elderly individuals through certified caregivers. The extent of this care is usually limited to a few hours per day (as service availability depends on the number of caregivers and their current workload).
b. Around the clock/24 hr care at a patient's' home is not available. This was confirmed by the Ministry of Labour and Social Policy / Centres for Social Work – The public service “Help and Care at Home”, [plaats] and Red Cross of the Republic of North Macedonia, [plaats] .”
De landeninformatie bevestigt dus dat thuiszorg beperkt is tot enkele uren per dag en dat 24/7 thuiszorg niet beschikbaar is. Dit betekent dat [naam 2] thuiszorg geen passende vervanging lijkt voor de volgens de behandelaars noodzakelijke 24/7 mantelzorg die eiseres momenteel ontvangt.
4.6.
Op basis van de door het BMA verstrekte gegevens kan dus niet geoordeeld worden dat de medisch noodzakelijke zorg voor eiseres beschikbaar/toegankelijk is. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de minister ook na de geboden informele bestuurlijke lus niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiseres niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste vanwege haar gezondheidstoestand. De beroepsgrond slaagt.
Heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat eiseres niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 8 van Pro het EVRM?
5.1.
Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte geen gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM heeft aangenomen tussen haar en haar oudste zoon en zijn echtgenote. De minister heeft in het aanvullende besluit van 26 maart 2026 alsnog aangenomen dat er gezinsleven is. Daarmee heeft de minister erkend dat ook op dit punt het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en gemotiveerd.
5.2.
De minister heeft in het aanvullende besluit een belangenafweging gemaakt en deze in het nadeel van eiseres laten uitvallen. De minister weegt zwaar in het nadeel van eiseres mee dat zij niet met een geldig visum of mvv naar Nederland is gekomen en dat het gezinsleven tijdens haar illegale verblijf is geïntensiveerd. De minister neemt aan dat er persoonlijke belemmeringen zijn voor referenten om het gezinsleven met eiseres in Noord-Macedonië uit te oefenen maar weegt in hun nadeel mee dat van objectieve belemmeringen niet is gebleken. Ook het economische belang weegt de minister in het nadeel van eiseres mee, omdat volgens de minister gelet op haar leeftijd en omstandigheden aannemelijk is dat zij een beroep zal doen op gezondheidszorg en andere voorzieningen. Tot slot vindt de minister de binding van eiseres met Nederland zeer beperkt en weegt ook dat in haar nadeel mee.
5.3.
Eiseres heeft in haar reactie daarop als eerste er terecht op gewezen dat, nu niet zonder meer kan geoordeeld worden dat de medisch noodzakelijke zorg voor eiseres beschikbaar/toegankelijk is, ook niet gezegd kan worden dat er geen objectieve belemmering bestaat in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM om het gezinsleven in Noord-Macedonië uit te oefenen. De rechtbank verwijst daartoe naar haar eerdere overwegingen onder 4.5 en verder. Nu de minister dit niet bij de belangenafweging heeft betrokken, kan die afweging alleen al hierom geen stand houden.
5.4.
De rechtbank volgt eiseres ook in haar standpunt dat het in haar geval onredelijk is dat de minister zwaar in haar nadeel meeweegt dat zij zonder een mvv naar Nederland is gekomen, nu zij juist gelet op haar medische situatie om vrijstelling ervan heeft gevraagd. Door dit in haar nadeel mee te wegen heeft de minister niet kenbaar rekenschap gegeven van de geschetste medische toestand van eiseres bij haar binnenkomst in Nederland.
5.5.
Verder is de rechtbank het met eiseres eens dat de minister weliswaar heeft erkend dat er persoonlijke belemmeringen zijn voor eiseres en referenten om het gezinsleven in Noord-Macedonië uit te oefenen, maar dat ten onrechte niet kenbaar in haar voordeel heeft betrokken in de belangenafweging. Nu referenten al lange tijd in Nederland wonen, Nederlanders zijn, hier hun hele leven en hun werk hebben en geen sociaal netwerk meer hebben in Noord-Macedonië, kan van hen niet zonder meer worden verwacht dat zij met eiseres naar Noord-Macedonië verhuizen om daar in de laatste levensfase van eiseres voor haar te zorgen. Dat zou leiden tot een “certain degree of hardship”. De minister heeft dit niet kenbaar onderkend en in de afweging betrokken.
5.6
Ten aanzien van het economisch belang overweegt de rechtbank het volgende.
5.6.1.
De Afdeling [6] heeft overwogen dat de minister bij de belangenafweging rekening mag houden met het gegeven dat een vreemdeling afhankelijk is van overheidssteun, voor zover deze afhankelijkheid invloed heeft op het economisch welzijn van Nederland. Daarbij mag de minister niet in algemene zin wijzen op mogelijke toekomstige aanspraken die de vreemdeling zou kunnen doen op de uit algemene middelen gefinancierde faciliteiten. [7] Bovendien is het aan de minister om alle omstandigheden van het geval mee te nemen in de afweging van het economisch belang en het belang van de vreemdeling. De beoordeling van de minister dient daarbij flexibel te zijn en de minister mag hierbij niet het onmogelijke van de vreemdeling verwachten. [8] Ook heeft de Afdeling overwogen dat de minister bij zijn beoordeling rekening moet houden met alle relevante aspecten en daarbij dus ook relevante onzekere toekomstige gebeurtenissen die een vreemdeling naar voren heeft gebracht, moet betrekken. De beoordeling hiervan is niet anders dan wanneer de minister bij zijn beoordeling andere onzekere toekomstige gebeurtenissen betrekt, zoals een mogelijk toekomstig beroep op de openbare kas. Dit neemt niet weg dat de minister in zijn beoordeling minder gewicht mag toekennen aan een gebeurtenis naarmate het onwaarschijnlijker is dat die gebeurtenis zal plaatsvinden. Ook mag hij van een vreemdeling verlangen dat, als het onwaarschijnlijker is dat een gebeurtenis zal plaatsvinden, hij die gebeurtenissen eerder toelicht. [9]
5.6.2.
De rechtbank is met eiseres van oordeel dat de minister het economisch belang niet heeft beoordeeld met inachtneming van het hiervoor geschetste toetsingskader. De minister heeft genoemd dat eiseres gebruik zal maken van gezondheidszorg en andere voorzieningen, maar heeft dit onvoldoende toegespitst op de situatie van eiseres. Zo heeft hij bij zijn beoordeling niet kenbaar betrokken dat eiseres al sinds 2022 bij haar oudste zoon en zijn echtgenote inwoont en door hen financieel wordt onderhouden en verzorgd. In de specifieke omstandigheden van eiseres, die de minister niet kenbaar heeft betrokken, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het economisch belang van de Staat zwaar in het geding is.
5.
5.7.
Tot slot volgt de rechtbank eiseres erin dat de minister bij de beoordeling van haar binding met Nederland ten onrechte niet heeft betrokken dat haar gezinsleden in Nederland wonen, dat eiseres geen sociaal netwerk heeft in Noord-Macedonië en zij mede gelet op haar cognitieve klachten niet meer in staat kan worden geacht om dat sociaal netwerk weer op te bouwen. Ook haar medische situatie en de zorg die zij hier ontvangt, maakt dat zij een binding met Nederland heeft. Daarmee is haar binding met Nederland op dit moment dus niet minder sterk dan met Noord-Macedonië. Dit heeft de minister ten onrechte niet in haar voordeel in de belangenafweging betrokken.
5.8.
Uit het voorgaande volgt dat de minister ook na de geboden informele bestuurlijke lus niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiseres niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 8 van Pro het EVRM.
Ambtshalve toetsing aan schrijnendheid/ouderenbeleid
6.1.
Eiseres doet tot slot een beroep op de hardheidsclausule en de daaronder vallende schrijnendheidscategorie ‘ouderen in hun laatste levensfase’. Ondanks dat het ouderenbeleid en Informatiebericht 2019/70 over ouderen in hun laatste levensfase [10] zijn afgeschaft, is het vaste praktijk dat de minister daaraan toetst. [11] De minister had op grond van artikel 3.6ba van het Vb [12] dienen te toetsen aan de voorwaarden van het IB 2019/81. Eiseres meent dat haar zaak schrijnend is en tot toepassing van de menselijke maat en evenredigheid noopt.
6.2.
De minister heeft in het bestreden besluit overwogen dat in geval van eiseres niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die tot toepassing van artikel 3.6ba van het Vb nopen. In het verweerschrift benadrukt de minister dat dit beleid lang geleden is afgeschaft en dat de minister niet inziet waarom hij nu gebruik zou moeten maken van zijn discretionaire bevoegdheid en een vergunning aan eiseres zou moeten verlenen.
6.3.
De rechtbank volgt de minister hierin niet. Eiseres heeft in beroep terecht erop gewezen dat de Afdeling heeft geoordeeld dat de discretionaire bevoegdheid van de minister om ambtshalve een verblijfsvergunning te verlenen niet ingeperkt is met de wijziging van het Vb, maar nog altijd is gebaseerd op artikel 14, eerste lid, van de Vw [13] . [14] Dat het beleid is afgeschaft, is dus geen reden om geen inhoudelijke beoordeling te maken. De minister heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom het standpunt van eiseres, dat zij voldoet aan de (niet cumulatieve) voorwaarden zoals genoemd in het Informatiebericht voor ouderen in hun laatste levensfase, niet kan leiden tot toepassing van de hardheidsclausule. De minister kan dit soort zaken voorleggen aan de commissie Schrijnende Zaken. [15] Onduidelijk is waarom de minister de zaak van eiseres niet heeft voorgelegd. De rechtbank heeft de minister daartoe in de gelegenheid gesteld bij het toepassen van de informele bestuurlijke lus. Daar is de minister in het aanvullende besluit niet meer op terug gekomen. De minister dient daarom deze zaak alsnog voor te leggen aan de commissie Schrijnende Zaken.
6.4.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat ook dit onderdeel van het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en gemotiveerd en daarom niet in stand kan blijven.

Conclusie

7.1.
Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit en het aanvullende besluit in strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb [16] onzorgvuldig tot stand zijn gekomen en in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb gebrekkig zijn gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en het aanvullende besluit. De rechtbank ziet gelet op de voorgaande overwegingen geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Nu de door de rechtbank geboden informele bestuurlijke lus niet tot herstel van de gebreken heeft geleid, ziet de rechtbank geen aanleiding om de minister opnieuw met een formele bestuurlijke lus in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen. Dat zou naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze inhouden.
7.2.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak. De minister dient bij zijn beoordeling het tijdsverloop en de verslechterde medische situatie van eiseres te betrekken. De rechtbank geeft de minister hiervoor twaalf weken.
7.3.
Omdat op de hoofdzaak wordt beslist is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen.
7.4.
Nu het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend, om een voorlopige voorziening heeft verzocht en aan de zitting heeft deelgenomen. Ook dient de minister voor beide procedures het betaalde griffierecht aan eiseres te vergoeden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank in de zaak met nummer NL24.21094:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 22 april 2024 en het aanvullende besluit van 26 maart 2026;
- draagt de minister op binnen 12 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.
De voorzieningenrechter in de zaak met NL24.21095:
- wijst het verzoek af.
De rechtbank in beide zaken:
- bepaalt dat de minister het griffierecht van in totaal € 374,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, voorzitter, mr. P.L.C.M. Ficq en mr. H.B. van Gijn, leden, in aanwezigheid van mr. S. Pirs, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak, voor zover het betreft de beslissing op het beroep, kan hoger beroep worden ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Bureau Medisch Advisering.
2.Een TIA is een beroerte, waarbij een stolsel vastloopt in de hersenen.
3.Machtiging tot voorlopig verblijf.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Paragraaf B1/4.1.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
6.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 13 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2661, r.o. 3.1.
8.Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4912, r.o. 7.2. en 8.
9.Zie de uitspraak van de Afdeling van 11 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3166 r.o. 2.
10.https://stichtinglos.nl/sites/default/files/los/Informatiebericht%20IND%20SUA%20Ouderenbeleid.pdf
11.Informatiebericht 2019/81 Ambtshalve toets schrijnende situatie. https://puc.overheid.nl/ind/doc/PUC_10112470000_1/1/
12.Vreemdelingenbesluit 2000.
13.Vreemdelingenwet 2000.
14.Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4130.
15.Zie de uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht van 4 oktober 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:4725, zittingsplaats Haarlem van 23 januari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:970 en zittingsplaats Amsterdam van 8 januari 2025, zaaknummer: NL23.1463.
16.Algemene wet bestuursrecht.