ECLI:NL:RBDHA:2026:18817

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
12046870
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:101 BWArt. 195 RvArt. 41 Nadere regeling toezicht effectenverkeer 1999Art. 25 Nadere regeling toezicht effectenverkeer 1995
Verwijzingen
26 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatig handelen Dexia door vergunningplichtige advisering via tussenpersoon bij effectenleaseovereenkomst

Afnemer sloot via een tussenpersoon effectenleaseovereenkomsten met Dexia, waarbij met geleend geld in aandelen werd belegd. De tussenpersoon beschikte niet over de vereiste vergunning voor beleggingsadvies, maar trad wel als financieel adviseur op. Dexia was hiervan op de hoogte of had dit moeten weten. Na koersdalingen leed Afnemer verlies en vorderde zij schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van Dexia.

De rechtbank sluit aan bij bestaande jurisprudentie dat Dexia haar zorgplicht, waaronder de waarschuwingsplicht, heeft geschonden door het aangaan van de overeenkomst via een niet-vergunde adviseur. Afnemer heeft voldoende concreet gesteld dat zij persoonlijk en vergunningplichtig is geadviseerd, wat Dexia onvoldoende heeft betwist. Dexia had onderzoek moeten doen naar de advisering door de tussenpersoon.

De rechtbank wijst de vorderingen van Afnemer toe en veroordeelt Dexia tot vergoeding van de betaalde termijnen en restschuld, vermeerderd met wettelijke rente. Het incidentele verzoek van Dexia tot inzage in het intakeformulier wordt afgewezen vanwege het vertrouwelijke karakter van de communicatie tussen Afnemer en haar gemachtigde. De proceskosten worden aan Dexia opgelegd.

Uitkomst: Dexia wordt veroordeeld tot volledige schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen door vergunningplichtige advisering via tussenpersoon zonder vergunning.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Den Haag
AR/c
Zaak-/rolnr.: 12046870 RL EXPL 26-335
25 juni 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eisende partij] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie in de hoofdzaak en in het incident,
verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het (voorwaardelijke) incident,
hierna te noemen: Afnemer,
gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces),
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak en in het incident,
eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het (voorwaardelijke) incident,
hierna te noemen: Dexia,
gemachtigde: USG Legal Professionals.

1.Kern van de zaak

1.1.
Afnemer heeft via een tussenpersoon een of meer effectenleaseovereenkomsten gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Die overeenkomst(en) hield(en) het volgende in. Afnemer leende geld van Dexia en stelde dat weer ter beschikking van Dexia. Met dat geleende geld kocht Dexia aandelen. Afnemer betaalde met name rente (inleg), per maand of ineens vooruit. Aan het einde van de looptijd van de overeenkomst(en) werden de aandelen verkocht en moest Afnemer het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zo laag dat Afnemer verlies heeft geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door Afnemer schade helemaal moet vergoeden.
1.2.
Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door Afnemer geleden schade helemaal moet vergoeden.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 10 december 2025;
  • de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, tevens houdende (voorwaardelijke) incidentele vordering ex artikel 195 Rv Pro van de zijde van Dexia;
  • de incidentele conclusie inzake vordering tot inzage ex artikel 195 Rv Pro, tevens houdende conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie van de zijde van Afnemer;
  • de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie van de zijde van Dexia;
  • de conclusie van dupliek in reconventie, tevens houdende akte uitlaten producties in conventie van de zijde van Afnemer;
  • de in het geding gebrachte producties.
2.2.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.

3.De feiten

3.1.
Afnemer heeft de volgende leaseovereenkomst ondertekend met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia, waarop Afnemer als lessee stond vermeld:
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
Looptijd
Leasesom
21402208
28-06-1999
Capital Effect
240 mnd
€ 21.968,88
3.2.
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomsten een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald?
Koersen per 31-10-2005
- € 1.248,17
ja
3.3.
Volgens opgave van Dexia heeft Afnemer op grond van de overeenkomsten in totaal een bedrag van € 6.554,84 aan maandtermijnen en een bedrag van € 1.248,17 aan restschuld aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft Afnemer een bedrag van € 1.088,18 aan dividenden ontvangen en een bedrag van € 1.097,24 aan fiscaal voordeel genoten.
3.4.
De gemachtigde van Afnemer, Leaseproces, heeft bij brief van 9 januari 2006 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomsten ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens is daarbij het recht voorbehouden ook nog andere gronden aan te voeren.
4. De vordering en het verweer in de hoofdzaak in conventie en in reconventie en in het incident
4.1.
Afnemer vordert, kort samengevat, dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
in conventie in de hoofdzaak:
  • voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens Afnemer
  • voor recht zal verklaren dat Afnemer schade heeft geleden als gevolg van het
  • Dexia zal veroordelen tot voldoening aan Afnemer van al hetgeen Afnemer aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomsten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover;
  • Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van Afnemer,
  • Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met wettelijke rente.
4.2.
Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering, waarbij Dexia vordert, kort samengevat, dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
in het incident, voorwaardelijk:
 Afnemer ex artikel 195 Rv Pro zal veroordelen het intakeformulier waar de door de
gemachtigde van Afnemer namens Afnemer in deze procedure ingenomen
feitelijke stellingen aan zijn ontleend aan Dexia te verstrekken;
in reconventie in de hoofdzaak:
  • voor recht zal verklaren dat Dexia na betaling van een bedrag van € 832,11, vermeerderd met wettelijke rente, aan al haar verplichten met betrekking tot de overeenkomst met Afnemer heeft voldaan en niets meer aan Afnemer verschuldigd is;
  • Afnemer zal veroordelen in de proceskosten.
5.
De beoordeling van de vorderingen in conventie en in reconventie in de hoofdzaak en in de incidenten
algemeen5.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen decennia zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie Afnemer.
5.2.
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. [1] Recent is daar een aantal uitspraken van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bijgekomen. [2] Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.
5.3.
Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
er is sprake van huurkoop;
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van nietigheid of vernietigbaarheid krachtens
de Wck;
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
Afnemer heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen;
er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.
tussenpersoon
5.4.
Afnemer heeft de overeenkomst met Dexia afgesloten via de tussenpersoon Horizon Leven. Tussen partijen is niet in geschil dat deze tussenpersoon niet beschikte over een voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 [3] heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 Nadere Pro regeling toezicht effectenverkeer (NR) 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR Pro 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer, ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.
5.5.
De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon Afnemer heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon Afnemer, anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op Afnemer als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door Afnemer gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn. Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is, weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door Afnemer in 2004 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomsten en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
5.6.
Afnemer stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:
“ [eisende partij](hierna: Afnemer)
heeft contact opgenomen met Horizon Leven teneinde zich te laten adviseren omtrent het afsluiten van een autoverzekering. Vervolgens is een afspraak gemaakt voor een gesprek op kantoor. Tijdens dit gesprek werd Afnemer, door de heer [naam 1] (hierna: de adviseur) tevens gewezen op een spaarproduct waarmee volgens de adviseur een hoog rendement kon worden gerealiseerd. Dit wekte de interesse van Afnemer. De adviseur stelde voor om de financiële situatie van Afnemer door te nemen en de mogelijkheden van vermogensopbouw via dit spaarproduct te onderzoeken, waarmee Afnemer instemde.
Tijdens het eerste gesprek heeft de adviseur geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van Afnemer. Zo is met de adviseur gesproken over het werk, inkomen en de vaste lasten van Afnemer. Afnemer werkte destijds via een uitzendbureau als medewerker salarisadministratie. Tevens kwam aan de orde dat Afnemer uit Suriname was geëmigreerd, waar haar vader nog woonachtig was. Afnemer gaf aan de wens te hebben om op haar 55ste te stoppen met werken, naar Suriname terug te keren en aldaar de financiële zorg voor haar vader te kunnen dragen. De adviseur gaf aan dat hij een geschikt product kon adviseren teneinde haar doelstellingen te verwezenlijken.
De adviseur adviseerde Afnemer om een Capital Effect overeenkomst van Bank Labouchere af te sluiten met een maandelijkse inleg van ongeveer NLG 200,-. Afnemer heeft in samenspraak met de adviseur de hoogte van de maandelijkse inleg vastgesteld aan de hand van wat Afnemer aangaf maandelijks te kunnen missen. Volgens de adviseur zou Afnemer op deze wijze aanzienlijk vermogen opbouwen, waardoor Afnemer haar doelstellingen kon verwezenlijken.
De adviseur ondersteunde zijn advies aan de hand van een brochure, waarmee productinformatie werd gegeven over de Capital Effect overeenkomst evenals de positieve rendementen die behaald konden worden met het product. De adviseur gaf aan dat de Capital Effect overeenkomst een veilig product was, waarmee enkel zou worden belegd in betrouwbare aandelenfondsen en wees erop dat eerdere afnemers reeds aanzienlijke opbrengsten hadden gerealiseerd.
De adviseur heeft Afnemer niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo heeft hij er niet op gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst. Als Afnemer op deze risico’s gewezen was, had zij de Capital Effect overeenkomsten nooit afgesloten.”
5.7.
Afnemer heeft, ter onderbouwing van haar stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:
  • een kopie van de overeenkomst van 28 juni 1999, voorzien van de tekst “
  • een kopie van een uittreksel van de KvK van de tussenpersoon met als beschrijving van de activiteiten van Horizon Leven B.V. ten tijde van het sluiten van de overeenkomst op 28 juni 1999:
  • een kopie van een visitekaartje, voorzien van het logo van Horizon Leven, waarop vermeld staat:
Pensioenen
Spaarvormen
(…)
Beleggingen”
aanhoudingsverzoek
5.8.
Dexia heeft grote bezwaren tegen de – door haar zo genoemde – ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven 's-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.
5.9.
Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt.
(nieuwe) argumenten Dexia
5.10.
Dexia heeft tegen de bewuste redenering (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer:
  • dat ten onrechte de gemachtigde van de afnemer op zijn woord wordt geloofd, terwijl er juist door het feit dat er extreem veel tijd is verstreken tussen het afsluiten van de overeenkomst en het moment dat Afnemer zich erop heeft beroepen dat hij is geadviseerd door de tussenpersoon, alle aanleiding is om behoedzaam met de verklaring van Afnemer om te gaan;
  • dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;
  • dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust, en
  • dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.
5.11.
Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals Afnemer onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseur van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. [4] [5] Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in haar geval heeft Afnemer, tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door Afnemer geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomst dan wel tot stand was gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van Afnemer dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat de gemachtigde van Afnemer in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen Afnemer en de adviseur van de tussenpersoon en er voor haar geen aanleiding was eerder onderzoek te doen, omdat Afnemer pas zeer laat een beroep heeft gedaan op advisering, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals Afnemer en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent, betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vastleggingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt.
wetenschap Dexia
5.12.
In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan Afnemer. Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben. Ten eerste had zij, nu zij gebruik maakte van tussenpersonen, moeten weten wat hun gebruikelijke werkwijze was. Daarnaast lag het op de weg van Dexia om voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst met een klant actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst zou aangaan op advies van de tussenpersoon. Aan de hand van de in dat verband ontvangen informatie had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de overeenkomst met Afnemer kon en mocht sluiten. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht, is gesteld noch gebleken. Dat moet, gelet op het voorgaande, voor haar rekening en risico blijven. De betwisting door Dexia van de stelling dat zij kon weten dat sprake was van vergunningplichtige advisering is dan ook onvoldoende onderbouwd. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.
aansprakelijkheid Dexia5.13. Nu Dexia, ondanks het voorgaande, toch met Afnemer de overeenkomst is aangegaan, heeft zij jegens Afnemer onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan Afnemer omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. [6] Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW Pro voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
vorderingen van Afnemer in conventie5.14. De door Afnemer gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens Afnemer heeft gehandeld door Afnemer als cliënt te accepteren, terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon Afnemer niet alleen als klant aanbracht, maar Afnemer ook persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat.
5.15.
De door Afnemer geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de Afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld, een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door Afnemer niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in Hoge Raad 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en Hoge Raad 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3). Afnemer heeft aan de hand van het door Dexia overgelegde financiële overzicht in de conclusie van repliek in conventie/antwoord in reconventie de schade berekend op € 5.617,59. Omdat Dexia die berekening niet heeft betwist, zal de kantonrechter uitgaan van dit bedrag.
5.16.
Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden zijn verricht dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.
5.17.
Gelet op het voorgaande behoeven de andere door Afnemer aangevoerde gronden geen nadere bespreking.
de incidentele vordering/verzoek van Dexia
5.18.
Dexia vordert dat Afnemer wordt veroordeeld het intakeformulier, dan wel een ander schriftelijk document van haar gemachtigde aan Dexia te verstrekken waaraan de door de gemachtigde ingenomen stellingen zijn ontleend.
5.19.
Dexia wil kennelijk weten welke gegevens Afnemer destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier of anderszins dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een hoge uitzondering die maakt dat in dít geval van de beroepsbeoefenaar kan worden verlangd zich niet op zijn verschoningsrecht te beroepen. Al met al oordeelt de kantonrechter dat het incidentele verzoek van Dexia moet worden afgewezen.
5.20.
De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van Afnemer worden begroot op € 87,00.
vorderingen Dexia in reconventie
5.21.
Gelet op de beoordeling in conventie worden de vorderingen van Dexia afgewezen.
proceskosten
5.22.
Omdat Afnemer inhoudelijk gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van Afnemer gevallen. Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie, worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil. De proceskosten in conventie van Afnemer worden begroot op:
- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 93,00
- salaris gemachtigde € 576,00 (2 x tarief € 288,00)
- nakosten
€ 144,00
Totaal € 957,47
5.23.
De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen.
6. De beslissing
De kantonrechter:
in het incident van Dexia
6.1.
wijst de vordering van Dexia af;
6.2.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van Afnemer, tot op heden begroot op € 87,00;
in conventie in de hoofdzaak
6.3.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens Afnemer heeft gehandeld door Afnemer als cliënt te accepteren, terwijl Dexia behoorde te weten dat de tussenpersoon Afnemer niet alleen als klant aanbracht, maar Afnemer tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat;
6.4.
verklaart voor recht dat Afnemer schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden;
6.5.
veroordeelt Dexia om aan Afnemer te betalen een bedrag van € 5.617,59, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, telkens vanaf de dag van de door Afnemer gedane betalingen tot aan de dag van volledige betaling;
6.6.
veroordeelt Dexia in de proceskosten, aan de zijde van Afnemer begroot op € 957,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen;
6.7.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
6.8.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
6.9.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie in de hoofdzaak
6.10.
wijst de vorderingen af;
6.11.
veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van Afnemer tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.B. Verkleij, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juni 2026.

Voetnoten

1.In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).
2.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:GHARL:2025:1317.
3.Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI :NL:HR:2022:862.
4.Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof ’s Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689, gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:379.
5.Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.
6.Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.