Eiser, een Nigeriaanse asielzoeker, werd op 30 januari 2026 in bewaring gesteld door de minister van Asiel en Migratie om uitvoering te geven aan een overdrachtsbesluit op grond van de Dublinverordening. De rechtbank constateert dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) een voorlopige voorziening heeft getroffen die overdracht aan Duitsland verbiedt totdat het hoger beroep over de rechtmatigheid van de verlenging van de overdrachtstermijn is beslist.
De minister heeft de bewaring opgelegd terwijl hij wist dat overdracht niet was toegestaan en zonder voorafgaand overleg met de Afdeling over de timing van de uitspraak. De rechtbank stelt vast dat de maatregel onrechtmatig is omdat de minister niet bevoegd was om de bewaring op te leggen voor een overdracht die op dat moment niet mocht plaatsvinden.
De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken waarin de Afdeling de bewaring wegens de lange duur en onzekerheid over de uitspraak heeft opgeheven. De rechtbank beveelt daarom de onmiddellijke opheffing van de bewaring en invrijheidstelling van eiser. Tevens wordt een schadevergoeding van €480 toegekend voor vier dagen onrechtmatige vrijheidsontneming en worden proceskosten van €934 aan eiser toegekend.