ECLI:NL:RVS:2025:953
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongegrondverklaring beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag
De vreemdeling diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie bij besluit van 25 november 2024 niet in behandeling werd genomen. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep van de vreemdeling op 31 januari 2025 ongegrond. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
In het hoger beroep werd vastgesteld dat de minister de overdrachtstermijn op grond van de Dublinverordening had verlengd tot achttien maanden, tot en met 8 februari 2026. De Afdeling nam aan dat partijen belang hebben bij de behandeling van het hoger beroep, zonder daarmee een oordeel te geven over de rechtmatigheid van het verlengingsbesluit.
De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep geen gronden bevatte die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin, en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de rechtbank werd daarmee bevestigd en de minister werd niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.