ECLI:NL:RBDHA:2026:17534
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- S.A. van Hoof
- G.A. van der Straaten
- B. Koopman
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en intrekking subsidiaire bescherming
Eiser, afkomstig uit Syrië, diende op 4 juli 2025 een asielaanvraag in Nederland in, die de minister niet in behandeling nam omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn. Eerder had Duitsland aan eiser subsidiaire bescherming verleend, welke op 4 juni 2025 was ingetrokken. De minister baseerde het niet in behandeling nemen op artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening, maar de rechtbank oordeelde dat dit onjuist was en dat artikel 12, vierde lid, van toepassing is.
De rechtbank volgde het arrest Qassioun van het Hof van Justitie, dat stelt dat artikel 18, eerste lid, onder d, niet ziet op situaties van intrekking van eerder verleende bescherming, maar dat artikel 12, vierde lid, van toepassing is bij een verlopen of ingetrokken verblijfstitel. De minister had het besluit onvoldoende gemotiveerd, waardoor het beroep gegrond was, maar het motiveringsgebrek was in beroep hersteld, zodat het beroep uiteindelijk werd afgewezen.
Eiser voerde aan dat overdracht aan Duitsland indirect refoulement zou opleveren, maar de rechtbank stelde vast dat er geen systeemfouten in de Duitse asielprocedure of opvangvoorzieningen zijn en dat Duitsland gehouden is het non-refoulementbeginsel te respecteren. Ook de stelling dat de overdrachtstermijn was verstreken werd verworpen omdat een voorlopige voorziening de termijn opschortte.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens onvoldoende motivering, maar liet de rechtsgevolgen in stand en veroordeelde de minister tot betaling van proceskosten aan eiser.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit wegens onvoldoende motivering maar laat de rechtsgevolgen in stand en wijst het beroep af.