Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17160

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
NL25.35460 en NL25.35461
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32, eerste lid, aanhef en onder a, VwArt. 34 VwArt. 8:45 AwbArt. 8:29 AwbArt. 8:72, derde lid, aanhef en onder a, Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking verblijfsvergunning asiel wegens onjuiste gegevens en belangenafweging

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de intrekking van hun verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd en de afwijzing van hun aanvragen voor verblijfsvergunningen voor onbepaalde tijd. De minister had de vergunningen ingetrokken omdat eiser onjuiste gegevens had verstrekt over zijn asielrelaas, gebaseerd op een individueel ambtsbericht (IAB).

De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat de verstrekte documenten geen echte kopieën zijn en dat eiser nooit is veroordeeld of gezocht in Azerbeidzjan. Eisers hebben niet het volledige IAB ontvangen, maar wel de essentiële elementen, waardoor zij niet in hun verdediging zijn geschaad. De rechtbank wijst ook het beroep af dat de minister onvoldoende rekening hield met het risico op vervolging vanwege politieke overtuiging.

Verder concludeert de rechtbank dat de minister de belangenafweging tussen het belang van de Nederlandse staat en het privéleven van eisers en hun kinderen zorgvuldig heeft gemaakt. Hoewel de rechtbank de besluiten vernietigt wegens onvoldoende voorbereiding rond het BIC-assessment, laat zij de rechtsgevolgen in stand. Eisers krijgen een proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: De intrekking van de verblijfsvergunningen wordt bevestigd, maar de besluiten worden vernietigd wegens procedurele tekortkomingen; de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.35460 en NL25.35461

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaken tussen

[naam], V-nummer: [nummer], eiser

[naam], V-nummer: [nummer], eiseres
ook namens:

[naam], V-nummer: [nummer], zoon

[naam], V-nummer: [nummer], dochter
samen: eisers
(gemachtigde: mr. E. Ebes),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van de verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd van eisers, [1] de afwijzing van de aanvragen van eisers om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd en de weigering om aan hen een reguliere verblijfsvergunning te verlenen. [2] Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij hebben daarom beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt de beroepen mede aan de hand van de beroepsgronden.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de besluiten van de minister in stand kunnen blijven, omdat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij zijn asielaanvraag onjuiste gegevens heeft verstrekt over zijn asielrelaas. Als de juiste gegevens wel bekend waren geweest, zou dat tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag hebben geleid. De minister heeft zich kunnen baseren op de informatie uit het individueel ambtsbericht. Eisers hebben niet het volledige IAB [3] en de onderliggende stukken ontvangen, maar hebben wel toegang gehad tot de doorslaggevende elementen die tot de intrekking hebben geleid. De rechtbank is daarom van oordeel dat zij niet in hun verdediging zijn geschaad. Verder oordeelt de rechtbank dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling staat van de Azerbeidzjaanse autoriteiten door zijn politieke overtuiging en activiteiten. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de belangen van de Nederlandse staat zwaarder wegen dan de belangen van eisers en de kinderen bij voortzetting van hun privéleven in Nederland. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij besluiten van 4 juli 2025 heeft de minister de verblijfsvergunningen van eisers met terugwerkende kracht ingetrokken. De minister heeft ook de aanvragen van eisers om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd afgewezen. Eisers krijgen geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. De minister heeft aan eisers een terugkeerbesluit opgelegd. Aan eiser is bovendien een inreisverbod voor de duur van twee jaren opgelegd.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
2.2.
De minister heeft daarop gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft de minister op 10 oktober 2025 verzocht om het volledige IAB en de onderliggende stukken, zonder de weggelakte gedeeltes, aan de rechtbank te sturen. [4]
2.4.
Op 4 november 2025 heeft het ministerie van Buitenlandse Zaken de stukken aan de rechtbank gezonden en gemotiveerd verzocht om de kennisname van eiser met betrekking tot die stukken te beperken. [5]
2.5.
De geheimhoudingskamer van deze rechtbank heeft bij beslissing van 28 november 2025 geoordeeld dat de beperkte kennisname van het volledige IAB gerechtvaardigd is. Eisers hebben er vervolgens mee ingestemd dat de rechtbank deze stukken bij haar oordeel betrekt.
3. De rechtbank heeft de beroepen daarna op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, hun kinderen, de gemachtigde van eisers, een tolk en de gemachtigde van de minister.

Voorgeschiedenis

4. Eisers hebben op 25 juni 2020 asiel aangevraagd. Eisers hebben aan deze aanvraag ten grondslag gelegd dat eiser aanhanger is van de Hizmet-beweging en dat hij daardoor problemen heeft ondervonden.
Eiser heeft bij zijn aanvraag kopieën overgelegd van - onder andere - de volgende documenten:
  • vonnis van 14 mei 2018;
  • vonnis van 2 oktober 2019;
  • dagvaarding van 24 februari 2020;
  • dagvaarding van 3 maart 2020;
  • opsporingsbevel van 6 mei 2020.
5. De minister heeft de aanvraag van eiser bij besluit van 15 januari 2021 ingewilligd. [6] Eiseres en de kinderen hebben op dezelfde datum een afgeleide asielvergunning ontvangen. [7] De minister heeft de verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd, geldig van 25 juni 2020 tot 20 juni 2025, verleend onder het voorbehoud dat de verklaringen van eiser overeenkomen met de uitkomsten van een nog op te starten onderzoek van het ministerie van Buitenlandse Zaken. De minister heeft in de besluiten vermeld dat de vergunningen kunnen worden ingetrokken als dat niet het geval is.
6. Het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft op 18 februari 2022 een IAB uitgebracht. Daarin staat dat uit onderzoek is gebleken dat de documenten die eiser heeft overgelegd geen kopieën zijn van echte documenten en dat een persoon genaamd [naam] nooit is veroordeeld of gezocht in verband met een strafzaak in Azerbeidzjan, inclusief voor ‘illegale religieuze activiteiten’.
7. Op 21 februari 2022 heeft een landenspecialist van TOELT [8] aan de hand van de zogenaamde ‘REK-check’ geconcludeerd dat het IAB qua inhoud en procedure zorgvuldig tot stand is gekomen en inhoudelijk inzichtelijk is.
8. De minister heeft op grond van het IAB de verblijfsvergunning asiel van eisers op 4 juli 2025 met terugwerkende kracht ingetrokken, omdat eiser onjuiste gegevens heeft verstrekt, dan wel informatie heeft achtergehouden over zijn asielrelaas. De door eiser gestelde vrees voor vervolging is in het besluit van 15 januari 2021 juist aannemelijk geacht vanwege de documenten die eiser had overgelegd. Uit het IAB blijkt echter dat de documenten geen kopieën zijn van echte documenten en dat een persoon met de naam van eiser nooit is veroordeeld of gezocht in verband met een strafzaak in Azerbeidzjan. Volgens de minister zou, als de informatie uit het IAB bekend was geweest op de datum van de verlening van de verblijfsvergunning, aan eiser geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd zijn verleend. Aan eiseres en de kinderen zou dan ook geen asielvergunning zijn verleend.

Beoordeling door de rechtbank

Effectieve verdediging
9. Eisers voeren aan dat zij in hun verdediging zijn geschaad, doordat de minister hen niet ten minste kennis heeft laten nemen van de kern van de vertrouwelijke informatie uit het IAB en de onderliggende stukken. Eisers vinden dat zij zich daardoor niet effectief kunnen verdedigen tegen de stelling van de minister dat eiser onjuiste informatie heeft verstrekt. Eisers verwijzen naar de arresten GM van 22 september 2022 [9] en Multan van
29 januari 2026 [10] van het Hof van Justitie van de EU. Daaruit blijkt volgens eisers dat de mogelijkheid van de rechter om toegang tot het dossier te krijgen niet in de plaats mag komen van de toegang tot het dossier van de betrokkene of zijn advocaat. Eisers wijzen op de mogelijkheid om toegang tot de geheime informatie te verlenen aan de juridisch adviseur of een andere raadsman die aan een veiligheidscontrole is onderworpen.
10. De rechtbank overweegt als volgt. In het arrest GM heeft het Hof bepaald dat het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging het recht op toegang tot alle elementen van het dossier met zich brengt. De rechten van de verdediging zijn volgens het Hof echter niet absoluut, zoals het Hof in het arrest Multan heeft herhaald. [11] De tweede alinea van artikel 23, eerste lid, van de Procedurerichtlijn [12] staat lidstaten namelijk toe om af te wijken van het geven van toegang tot informatie wanneer de openbaarmaking de nationale veiligheid of de veiligheid van bronnen in gevaar zou brengen. Het Hof heeft in het arrest GM overwogen dat een betrokkene in elk geval de redenen die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit moet kunnen betwisten. Daarvoor is nodig dat de essentie van de argumenten waarop het bestreden besluit berust aan de betrokkene worden medegedeeld. In het arrest Multan heeft het Hof overwogen dat de vertegenwoordiger van de verzoeker toegang moet krijgen tot alle elementen die bepalend kunnen zijn voor de uitkomst van de gerechtelijke procedure, zoals deze aan de bevoegde rechter worden voorgelegd, behoudens, in voorkomend geval, de elementen waarvoor de betrokken autoriteit om vertrouwelijkheid verzoekt. [13]
10.1.
De rechtbank is van oordeel dat dat de essentie van de argumenten waarop de bestreden besluiten berusten aan eisers is medegedeeld, waarmee voldaan is aan de bovengenoemde vereisten. Eisers hebben kennis kunnen nemen van de voor de uitkomst van de procedure doorslaggevende elementen, namelijk dat de door eiser overgelegde documenten geen kopieën zijn van echte documenten en dat een persoon genaamd [naam] nooit is veroordeeld of gezocht in verband met een strafzaak in Azerbeidzjan, inclusief voor ‘illegale religieuze activiteiten’. Naar het oordeel van de rechtbank was daarmee voor eisers voldoende concreet waarop de intrekking van de verblijfsvergunningen is gebaseerd en waartegen zij zich moesten verweren. Eisers zijn daarom niet in hun rechten van verdediging geschaad.
10.2.
Voor zover de beroepsgronden zo moeten worden begrepen dat eisers verzoeken toegang tot de ongelakte onderliggende stukken van het IAB te verlenen aan een juridisch adviseur of andere raadsman, die aan een veiligheidscontrole is onderworpen, ziet de rechtbank daarvoor gelet op het voorgaande geen aanleiding. De rechtbank leest in de jurisprudentie van het Hof, over de in deze zaak van toepassing zijnde Procedurerichtlijn, daartoe ook geen verplichting. [14]
Het individueel ambtsbericht
11. Eiser voert aan dat de gang van zaken rond de geheimhouding hem heeft gedwongen te speculeren over de vraag op basis waarvan is geconcludeerd dat de documenten geen kopieën van echte documenten zijn. Eiser heeft daarom een Azerbeidzjaanse advocaat benaderd. Op grond van artikel 35 van Pro de Azerbeidzjaanse administratieve wet worden bepaalde straffen volgens deze advocaat automatisch een jaar na tenuitvoerlegging van de straf uit het systeem verwijderd, mits in dat jaar geen nieuwe strafbare feiten zijn gepleegd. Het ontbreken van gegevens ten tijde van het onderzoek zegt daarom volgens eiser niets over de registratie in de periode ervoor. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte stelt dat het artikel niet voor een strafrechtelijke procedure geldt, omdat de informatie die eiser heeft overgelegd afkomstig is van een Azerbeidzjaanse advocaat.
12. De rechtbank overweegt als volgt. Een IAB van de minister van Buitenlandse Zaken is een deskundigenadvies aan de minister voor de uitoefening van zijn bevoegdheden. Als het IAB op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie verschaft, mag de minister bij de besluitvorming van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan die juistheid. [15]
12.1.
De Afdeling [16] heeft in verschillende uitspraken [17] overwogen dat de betrokkene in dit soort zaken in een moeilijke bewijspositie verkeert, omdat deze geen kennis kan nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het IAB. De Afdeling heeft erop gewezen dat dit het logische gevolg is van de toepassing van artikel 8:29 van Pro de Awb en dat als partijen toestemming hebben gegeven als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, de bestuursrechter het oordeel dan mede mag baseren op informatie die partijen niet kennen. De Afdeling heeft benadrukt dat het daarom van belang is dat de bestuursrechter extra zorgvuldig kennisneemt van de onderliggende stukken en erop toeziet dat de in een IAB weergegeven informatie wordt gedragen door die stukken en ook dat die weergave een representatief beeld geeft van het geheel van de in die onderliggende stukken besloten liggende informatie. Ook zal de bestuursrechter zo veel mogelijk moeten bezien in hoeverre de onderliggende stukken op zichzelf voldoen aan de daaraan in zijn algemeenheid te stellen betrouwbaarheidseisen, waarbij met name gedacht moet worden aan aspecten als consistentie, vermelding van bronnen van wetenschap en aanwijzingen van mogelijke bevooroordeeldheid of beïnvloeding van de informatiebron.
Als een IAB het asielrelaas waarop het ziet, op essentiële punten weerspreekt, is het aan de vreemdeling om het ambtsbericht te weerleggen. [18] Volgens de Afdeling moeten de ingebrachte concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van een IAB in verhouding staan tot de bevindingen in die stukken. Naarmate de bevindingen in het ambtsbericht minder scherp omlijnd zijn, hoeven de concrete aanknopingspunten ook minder scherp omlijnd te zijn. Het zou immers niet in evenwicht zijn als de ingenomen stelling in het ambtsbericht een zeker mate van abstractie of algemeenheid vertoont, terwijl de daarop uitgeoefende kritiek zou worden afgewezen omdat die onvoldoende concreet is. [19]
13. De rechtbank is -na kennisname op de hiervoor door de Afdeling beschreven wijze- van oordeel dat het onderzoek dat aan het IAB ten grondslag ligt zorgvuldig is geweest en dat de conclusies worden onderbouwd door de onderliggende stukken. De minister heeft het IAB aan de bestreden besluiten ten grondslag mogen leggen, omdat het IAB naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent is. Eisers hebben geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht die tot een ander oordeel daarover kunnen leiden. De beroepsgrond slaagt niet.
13.1.
Gelet op de bevindingen van het IAB heeft de minister zich, naar het oordeel van de rechtbank, op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser bij zijn asielaanvraag onjuiste gegevens heeft verstrekt, dan wel informatie heeft achtergehouden over zijn asielrelaas. De minister heeft op basis van het IAB namelijk terecht vastgesteld dat de documenten die eiser heeft overgelegd geen kopieën zijn van echte documenten en dat eiser nooit is veroordeeld of gezocht in verband met een strafzaak in Azerbeidzjan, inclusief voor ‘illegale religieuze activiteiten’.
13.2.
De stelling van eiser dat de gegevens van administratieve delicten in Azerbeidzjan een jaar na de tenuitvoerlegging worden verwijderd, leidt, gelet op de inhoud van het IAB en de daaraan ten grondslag liggende stukken, niet tot een ander oordeel. [20] Het hieromtrent gevoerde betoog van eiser strookt bovendien niet met de verklaring van het Azerbeidzjaanse Ministerie van Binnenlandse Zaken van februari 2020, die eiser zelf tijdens het aanmeldgehoor op 2 juli 2020 heeft overgelegd en waarover hij heeft toegelicht dat uit het document blijkt dat hij geen misdaden tegen de staat heeft gepleegd. [21] In deze verklaring staat dat eiser volgens de gegevens uit het gecentraliseerde register niet is veroordeeld, terwijl eisers laatste administratieve detentie blijkens het overgelegde vonnis van 2 oktober 2019 zou zijn gestart op 2 oktober 2019 en er tussen de start van de gestelde detentie en de overgelegde verklaring van het Ministerie dus geen jaar is verstreken. De rechtbank ziet geen aanleiding om eiser, zoals verzocht op de zitting, een extra termijn te geven om op dit stuk te reageren, omdat eiser het stuk zelf bij zijn asielaanvraag heeft overgelegd en het stuk zich sindsdien al in het dossier van eiser bevindt.
Evenredigheidstoets
14. Eisers voeren aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen ruimte zou zijn voor een evenredigheidstoets bij de intrekking van de verblijfsvergunning van eiser. Het verstrekken van onjuiste informatie kán volgens eisers een grond voor intrekking zijn. Bovendien komt het tijdsverloop tussen het IAB en het voornemen tot intrekking volgens eisers voor risico van de minister en moet dat betrokken worden bij de toepassing van het evenredigheidsbeginsel.
15. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat er bij de intrekking van de verblijfsvergunning van eiser geen ruimte is voor een evenredigheidstoets, omdat eiser valse informatie en documenten heeft verstrekt, wat doorslaggevend is geweest voor de verlening van de verblijfsvergunning asiel. De minister heeft de intrekking van de asielvergunning van eiser gebaseerd op artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Dit artikel is een implementatie van artikel 14, derde lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn, waarin staat dat de lidstaten de vluchtelingenstatus van een vreemdeling intrekken als die vreemdeling feiten verkeerd heeft weergegeven of heeft achtergehouden, of valse documenten heeft gebruikt, en dit doorslaggevend is geweest voor de verlening van die status. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat artikel 14, derde lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn lidstaten geen ruimte laat om af te zien van intrekking van de vluchtelingenstatus, als een vreemdeling voldoet aan een in die bepaling opgenomen vereiste voor intrekking. Het artikel is dwingend geformuleerd. Vereist is dat het verkeerd weergeven of achterhouden van feiten of het verstrekken van valse documenten doorslaggevend is geweest voor de verlening van de vluchtelingenstatus. Als daaraan is voldaan, moet de minister de vluchtelingenstatus en dus ook de verblijfsvergunning asiel intrekken. Er is dan volgens de Afdeling geen ruimte voor een nadere evenredigheidsbeoordeling in het concrete geval, ook niet op basis van het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw moet dan ook zo worden gelezen dat de minister de verblijfsvergunning asiel moet intrekken als bekendheid met de juiste of volledige gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag zou hebben geleid. [22]
16. De rechtbank stelt vast dat de minister in het besluit voor eiseres en de kinderen wel een evenredigheidstoets heeft verricht. Naar het oordeel van de rechtbank is het enkele tijdsverloop tussen het IAB en de intrekking van de verblijfsvergunning niet voldoende voor de conclusie dat de intrekking van de verblijfsvergunningen onevenredig is. Eisers hebben ook niet verder toegelicht waarom het enkele verlopen van tijd tussen het IAB en het voornemen zou moeten leiden tot de conclusie dat de afhankelijke vergunning van eiseres en de kinderen niet ingetrokken zou mogen worden.
Vrees voor vervolging en risico op ernstige schade
17. Eisers voeren aan dat de minister ten onrechte heeft overwogen dat niet aannemelijk is dat eiser door zijn werkzaamheden voor en betrokkenheid bij de Hizmet-beweging bij terugkeer naar Azerbeidzjan te vrezen heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. Eisers wijzen erop dat de minister niet twijfelt aan de werkzaamheden van eiser voor de Hizmet-beweging. De minister stelt volgens eisers ten onrechte dat uit de ingebrachte documentatie, over de positie van andere leden van de beweging, niet blijkt dat eiser persoonlijk in de negatieve belangstelling staat en dat de minister ten onrechte niet heeft onderzocht of eiser het uitdragen van het gedachtegoed van de Hizmet-beweging zoals hij dat in Nederland doet, wil voortzetten in Azerbeidzjan en of dat kan leiden tot vervolging. Uit de door eisers ingebrachte documentatie, in samenhang met de informatie uit het Algemeen Ambtsbericht Azerbeidzjan 2024, blijkt volgens eiser dat het risicovol is een profiel te hebben dat in verband wordt gebracht met FETÖ.
17.1.
De minister heeft erop gewezen dat hij de problemen die eiser eerder in Azerbeidzjan stelt te hebben gehad als gevolg van zijn - geloofwaardige geachte - werkzaamheden voor en betrokkenheid bij de Hizmet-beweging niet langer geloofwaardig vindt, gelet op de informatie uit het IAB. De minister heeft verder overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op dit moment door zijn politieke overtuiging en zijn betrokkenheid bij de Hizmet-beweging in de negatieve belangstelling staat van de Azerbeidzjaanse autoriteiten. Uit het Algemeen Ambtsbericht Azerbeidzjan van juni 2024 blijkt volgens de minister dat leden van de Hizmet-beweging te maken kunnen hebben met problemen met de autoriteiten in Azerbeidzjan. Er blijkt niet uit dat het aanhangen van de beweging of het verrichten van activiteiten voor de beweging zonder meer tot problemen leidt. Uit de door eiser overgelegde informatie komt geen ander beeld naar voren. Ook blijkt daaruit niet dat eiser persoonlijk in de negatieve belangstelling staat. De minister heeft er verder op gewezen dat eiser zelf heeft verklaard dat hij niet bekend staat als mensenrechtenactivist of oppositieleider en dat hij geen profiel heeft waarmee hij in de publieke belangstelling staat.
17.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister hiermee deugdelijk gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk te vrezen heeft op grond van zijn politieke overtuiging en activiteiten.
Privéleven
18. Eisers voeren aan dat zij en hun kinderen privéleven hebben opgebouwd in Nederland. Daarom is het intrekken van de verblijfsvergunning asiel volgens eisers in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM. [23] Eisers voeren aan dat de minister in de belangenafweging niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe de door eisers opgebouwde banden en de vele door hen ontplooide activiteiten daarin zijn meegewogen. De minister schat de betekenis van eisers voor de Nederlandse samenleving volgens hen niet op juiste waarde. De kinderen verblijven bovendien vanaf hun 12e in Nederland en hebben in hun vormende jaren privéleven opgebouwd. Eisers betogen dat de minister het privéleven van de kinderen niet zorgvuldig heeft onderzocht en getoetst door de aangekondigde BIC [24] -rapportage niet af te wachten. Eisers hebben deze rapportage van 8 september 2025 in beroep alsnog ontvangen en overgelegd. Uit het rapport blijkt dat de dochter onder behandeling staat vanwege stressklachten door de onzekerheid over het verblijfsrecht. Bovendien wordt ingegaan op de onderwijsachterstand die de kinderen bij terugkeer naar Azerbeidzjan zullen oplopen, omdat zij geen toegang meer hebben tot middelbaar of hoger onderwijs. De zoon vreest bovendien dat hij in Azerbeidzjan in dienst moet en dat wil hij niet. Verder wijzen eisers op het advies van Defence for Children van 27 oktober 2025, waarin staat dat terugkeer naar Azerbeidzjan de kwetsbaarheid van de kinderen vergroot en dat er een aanzienlijke kans is op ontwikkelingsschade. Eisers voeren tot slot aan dat de minister in de belangenafweging had moeten meewegen dat pas twee jaar na het uitbrengen van het IAB een voornemen tot intrekking van de verblijfsvergunning is uitgegaan. Onduidelijk is waarom dit zo lang heeft moeten duren. Eisers verwijzen hierbij naar een uitspraak van de Afdeling van
26 juli 2023. [25]
19. Tussen partijen is niet in geschil dat eisers en hun kinderen in Nederland privéleven hebben opgebouwd. Partijen verschillen van mening over de vraag of het opgebouwde privéleven zou moeten leiden tot het verlenen van een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. Daarbij is in geschil of de minister de belangenafweging in het nadeel van eisers en de kinderen kon laten uitvallen.
20. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de minister op grond van
artikel 8 van Pro het EVRM alle relevante gegevens en belangen van het individuele geval kenbaar moet afwegen tegen het algemene belang van de Nederlandse staat. De rechter moet toetsen of de minister dit heeft gedaan en, als dit het geval is, of hij zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen enerzijds het belang van de vreemdeling bij de uitoefening van het privéleven en familie- en gezinsleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. De minister heeft bij de beoordeling en de belangenafweging een zekere beoordelingsruimte. De rechtbank beoordeelt de belangenafweging die de minister heeft gemaakt enigszins terughoudend. [26]
De belangenafweging voor eiser en eiseres
21. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de belangenafweging voor eiser en eiseres niet ten onrechte in hun nadeel laten uitvallen. De minister heeft benoemd welke omstandigheden in het voordeel en in het nadeel van eiser en eiseres worden gewogen en welk gewicht daaraan wordt toegekend.
21.1.
De minister heeft daarbij ten aanzien van eiser in het bijzonder kunnen wijzen op het feit dat hij onjuiste gegevens heeft verstrekt en dat de verblijfsvergunning daarom met terugwerkende kracht is ingetrokken. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank het belang van de Nederlandse overheid, dat een verblijfsvergunning uitsluitend wordt verleend op basis van juiste en volledige gegevens om misbruik te voorkomen, zwaar in het nadeel van eiser kunnen wegen. De minister heeft verder sterk in het nadeel van eiser mogen wegen dat hij achteraf bezien nooit in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning en dat hij wist dat het leven dat in hij Nederland opbouwde een wankele basis had en dat rechtsherstel zou kunnen plaatsvinden. Ten aanzien van eiseres heeft de minister er naar het oordeel van de rechtbank op kunnen wijzen dat haar verblijf onlosmakelijk is verbonden met de vergunning van eiser en dat het verstrekken van onjuiste gegevens door eiser niet tot een voordeel kan leiden voor eiseres. Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zijn er bijzondere omstandigheden nodig om op grond van artikel 8 van Pro het EVRM een verplichting tot het laten voortzetten van het privéleven aan te nemen, omdat eiser door onjuiste gegevens te verstrekken zijn privéleven heeft opgebouwd ten tijde van een precair verblijfsrecht. [27] Dat eiser tijdens zijn verblijf in Nederland de taal heeft geleerd, heeft gewerkt, vrijwilligerswerk heeft gedaan en een netwerk heeft opgebouwd, zijn geen bijzondere omstandigheden. Ook de activiteiten van eiseres in Nederland leiden niet tot de conclusie dat sprake is van bijzondere omstandigheden. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank bovendien in het nadeel van eiser en eiseres kunnen wegen dat zij een sterkere band hebben met Azerbeidzjan dan met Nederland. Zij zijn op respectievelijk 39- en 40-jarige leeftijd naar Nederland gekomen, hebben langer in Azerbeidzjan gewoond dan in Nederland, spreken de taal en kennen de cultuur. Verder hebben eiser en eiseres familie en vrienden in Azerbeidzjan, en hebben zij daar een opleiding gevolgd en gewerkt. Eiser heeft ook een eigen bedrijf gehad. Gelet daarop heeft de minister kunnen overwegen dat niet valt in te zien waarom eiser en eiseres zich niet opnieuw in Azerbeidzjan zouden kunnen vestigen.
De belangenafweging voor de kinderen
22. De rechtbank begrijpt dat de besluiten van de minister zeker voor de kinderen erg ingrijpend zijn. Zij zijn op hun twaalfde naar Nederland gekomen en gaan hier al vijf jaar naar de middelbare school. De hier te maken belangenafweging is dan ook niet eenvoudig.
22.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister bij de beoordeling informatie moet vergaren over wat het voor de kinderen betekent als zij hun privéleven niet in Nederland, maar in Azerbeidzjan zouden moeten voortzetten. De minister heeft daar onvoldoende oog voor gehad, door niet het aangekondigde BIC-assessment af te wachten. Door dit assessment niet af te wachten en bij het besluit te betrekken, zonder op andere wijze te voorzien in het recht van de kinderen om hun mening over de intrekking van de verblijfsvergunning te geven (anders dan door het bevragen van eiser), heeft de minister het bestreden besluit dat ziet op de kinderen niet zorgvuldig voorbereid. Gelet op de samenhang tussen de beide besluiten – dat van eiseres en de kinderen en dat van eiser – betekent dit dat er ook een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek kleeft aan het bestreden besluit van eiser. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten, maar ziet wel aanleiding om de rechtsgevolgen daarvan in stand te laten. Eisers hebben het BIC-assessment in beroep alsnog overgelegd en de minister heeft daarop schriftelijk gereageerd. Daarmee heeft de minister zich alsnog rekenschap gegeven van de positie van de kinderen.
22.2.
De minister heeft er in het besluit op gewezen dat het verblijf van de kinderen onlosmakelijk is verbonden met de vergunning van eiser en dat het verstrekken van onjuiste gegevens door eiser niet tot een voordeel kan leiden voor de kinderen. De minister heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat de kinderen op twaalfjarige leeftijd naar Nederland zijn gekomen, naar school gaan, de taal spreken en vrienden hebben, niet getuigt van bijzondere omstandigheden. De minister heeft er daarbij op gewezen dat de kinderen langer in Azerbeidzjan hebben geleefd dan in Nederland, dat hun moedertaal Azerbeidzjaans/Turks is en zij dit thuis ook spreken. Verder heeft de minister meegewogen dat de kinderen bekend zijn met de Azerbeidzjaanse cultuur en dat uit de verklaringen van eiser blijkt dat de kinderen samen met hun ouders veel contacten hebben met Azerbeidzjaanse gezinnen en activiteiten ondernemen om de verbondenheid met de Azerbeidzjaanse cultuur te behouden. [28] De minister heeft verder meegewogen dat de zoon heeft aangegeven dat hij in Azerbeidzjan in dienst moet en dat hij dat niet wil. Dit leidt volgens de minister niet tot een andere uitkomst van de belangenafweging. Tot slot heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat het BIC-assessment (en het rapport van Defence for Children) ook niet tot een andere uitkomst van de belangenafweging leidt, omdat daaruit geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen die de minister niet heeft betrokken bij de besluitvorming. De minister wijst er daarbij in het verweerschrift op dat het niet aan de onderzoekers van het BIC-rapport is om vast te stellen of er sprake is van gegronde vrees voor vervolging in Azerbeidzjan.
22.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister hiermee deugdelijk gemotiveerd waarom de belangenafweging niet alsnog leidt tot een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. De minister heeft alle relevante feiten en omstandigheden bij de belangenafweging betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister van belang kunnen vinden dat de kinderen tot hun twaalfde in Azerbeidzjan hebben gewoond en door de taal en activiteiten van het gezin nog steeds verbonden zijn met de Azerbeidzjaanse cultuur. Niet onderbouwd is dat het voor de kinderen niet meer mogelijk is om in Azerbeidzjan scholing te krijgen. De rechtbank is verder van oordeel dat het gegeven dat de zoon niet in dienst wil niet ten onrechte niet tot een andere uitkomst van de belangenafweging heeft geleid. De rechtbank vindt daarbij van belang dat niet is gebleken van principiële bezwaren. Uit het BIC-assessment zijn naar het oordeel van de rechtbank ook geen omstandigheden naar voren gekomen op grond waarvan de minister tot een andere weging van de belangen van de kinderen had moeten komen. De conclusie van het BIC-assessment is weliswaar dat voortgezet en verzekerd verblijf van het gezin in Nederland in het belang van de kinderen is, maar deze conclusie is mede gebaseerd op een eigen beoordeling van het asielrelaas door de onderzoeker. De onderzoeker heeft het asielrelaas van eiser overgenomen en gaat volledig uit van de juistheid ervan. Het is evenwel aan de minister om die beoordeling te maken en niet aan een orthopedagoog die een gedragswetenschappelijke rapportage over de kinderen maakt.
22.4.
De minister heeft zich verder op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat het advies van Defence for Children evenmin tot een andere uitkomst van de belangenafweging leidt. Dit advies is namelijk gebaseerd op de bevindingen van het BIC-assessment.
22.5.
Tot slot heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank in de belangenafweging voor eisers en de kinderen niet het tijdsverloop tussen het IAB en de intrekking van de verblijfsvergunning in het voordeel van eisers en de kinderen mee hoeven wegen. De verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2023 leidt niet tot een ander oordeel. De Afdeling oordeelde in die zaak dat de gang van zaken bij de intrekking van de verblijfsvergunningen in dat specifieke geval bij de belangenafweging betrokken had moeten worden, omdat die gang van zaken afbreuk deed aan het standpunt van de minister dat de vreemdeling wist dat zijn verblijf op onjuiste gegevens gebaseerd was en daarom een onzekere basis had. Naast de lange duur van de procedure, achtte de Afdeling het in die zaak relevant dat de bewindspersoon al vóór de asielaanvraag van de vreemdeling beschikte over de gegevens die uiteindelijk tot de intrekking hebben geleid en dat de bewindspersoon de vreemdeling ná het uitbrengen van het voornemen tot intrekking opnieuw - zij het onder voorbehoud - een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd verleende. Dat is in de situatie van eisers niet het geval.
Inherente afwijkingsbevoegdheid
23. De minister handhaaft het standpunt dat in dit geval geen sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die nopen tot het toepassen van artikel 4:84 van Pro de Awb. De rechtbank ziet in hetgeen eisers naar voren hebben gebracht geen grond voor het oordeel dat de minister wel aanleiding had moeten zien op andere gronden, zoals door eisers bepleit, een vergunning te verlenen.
Conclusie en gevolgen
24. De minister heeft kunnen besluiten om de verblijfsvergunningen van eisers in te trekken en de aanvragen om verblijfsvergunningen asiel voor onbepaalde tijd af te wijzen. De minister hoefde eisers niet alsnog een verblijfsvergunning te verlenen. Het beroep is wel gegrond, omdat de minister de bestreden besluiten niet zorgvuldig heeft voorbereid door niet het BIC-assessment af te wachten en niet op andere wijze te voorzien in een mogelijkheid voor de kinderen om hun mening te geven. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. De rechtbank laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb wel de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand. Dit omdat de minister in beroep alsnog voldoende heeft gemotiveerd waarom het BIC-assessment niet tot een andere uitkomst leidt.
25. Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting in twee samenhangende zaken [29] , met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten van 4 juli 2025;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, voorzitter, en mr. H. Hanssen - Telman en mr. A. Sibma, leden, in aanwezigheid van mr. M.C. Drenten-Boon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Deze datum staat hierboven. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a (eiser) of c (eiseres en de kinderen), van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Als bedoeld in artikel 34 en Pro artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a (eiser) of c (eiseres en de kinderen), van de Vw.
3.Individueel ambtsbericht.
4.Op grond van artikel 8:45 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
5.Op grond van artikel 8:29 van Pro de Awb.
6.Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
7.Artikel 29, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw.
8.Team Onderzoek en Expertise Land en Taal.
9.Zaaknummer C-159/21, ECLI:EU:C:2022:708.
10.Zaaknummer C-431/24, ECLI:EU:C:2026:53.
11.Zie r.o. 38 en 39 van het arrest GM en r.o. 49 van het arrest Multan.
12.Richtlijn 2013/32/EU.
13.Zie r.o. 51.
14.Vergelijk r.o. 42 en 43 van het arrest GM.
15.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:114, en de uitspraken van de Afdeling van 11 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1267 en ECLI:NL:RVS:2022:1360.
16.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
17.Zie onder meer de uitspraken van 11 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1267, onder 7.2, en ECLI:NL:RVS:2022:1360, onder 4.5 en de uitspraak van 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4533.
18.Zie onder meer de uitspraak van 16 januari 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AO4075 en de uitspraak van 17 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:448.
19.Zie de uitspraak van de Afdeling van 11 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1267, onder 7.2.
20.Vgl. de uitspraak van Rb Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 30 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:4361.
21.Aanmeldgehoor van 2 juli 2020, p. 6.
22.Zie de uitspraken van de Afdeling van 25 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:230, en 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:575.
23.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
24.Best Interests of the Child.
26.Zie onder meer de uitspraken van de Afdeling van 20 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:220,
27.Zie het arrest van het EHRM van 4 december 2012, zaaknummer 47017/09, Butt/Noorwegen.
28.Gehoor eiser 12 december 2024, p. 17.
29.Op grond van artikel 3 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht.