13.2.De stelling van eiser dat de gegevens van administratieve delicten in Azerbeidzjan een jaar na de tenuitvoerlegging worden verwijderd, leidt, gelet op de inhoud van het IAB en de daaraan ten grondslag liggende stukken, niet tot een ander oordeel.Het hieromtrent gevoerde betoog van eiser strookt bovendien niet met de verklaring van het Azerbeidzjaanse Ministerie van Binnenlandse Zaken van februari 2020, die eiser zelf tijdens het aanmeldgehoor op 2 juli 2020 heeft overgelegd en waarover hij heeft toegelicht dat uit het document blijkt dat hij geen misdaden tegen de staat heeft gepleegd.In deze verklaring staat dat eiser volgens de gegevens uit het gecentraliseerde register niet is veroordeeld, terwijl eisers laatste administratieve detentie blijkens het overgelegde vonnis van 2 oktober 2019 zou zijn gestart op 2 oktober 2019 en er tussen de start van de gestelde detentie en de overgelegde verklaring van het Ministerie dus geen jaar is verstreken. De rechtbank ziet geen aanleiding om eiser, zoals verzocht op de zitting, een extra termijn te geven om op dit stuk te reageren, omdat eiser het stuk zelf bij zijn asielaanvraag heeft overgelegd en het stuk zich sindsdien al in het dossier van eiser bevindt.
14. Eisers voeren aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen ruimte zou zijn voor een evenredigheidstoets bij de intrekking van de verblijfsvergunning van eiser. Het verstrekken van onjuiste informatie kán volgens eisers een grond voor intrekking zijn. Bovendien komt het tijdsverloop tussen het IAB en het voornemen tot intrekking volgens eisers voor risico van de minister en moet dat betrokken worden bij de toepassing van het evenredigheidsbeginsel.
15. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat er bij de intrekking van de verblijfsvergunning van eiser geen ruimte is voor een evenredigheidstoets, omdat eiser valse informatie en documenten heeft verstrekt, wat doorslaggevend is geweest voor de verlening van de verblijfsvergunning asiel. De minister heeft de intrekking van de asielvergunning van eiser gebaseerd op artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Dit artikel is een implementatie van artikel 14, derde lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn, waarin staat dat de lidstaten de vluchtelingenstatus van een vreemdeling intrekken als die vreemdeling feiten verkeerd heeft weergegeven of heeft achtergehouden, of valse documenten heeft gebruikt, en dit doorslaggevend is geweest voor de verlening van die status. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat artikel 14, derde lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn lidstaten geen ruimte laat om af te zien van intrekking van de vluchtelingenstatus, als een vreemdeling voldoet aan een in die bepaling opgenomen vereiste voor intrekking. Het artikel is dwingend geformuleerd. Vereist is dat het verkeerd weergeven of achterhouden van feiten of het verstrekken van valse documenten doorslaggevend is geweest voor de verlening van de vluchtelingenstatus. Als daaraan is voldaan, moet de minister de vluchtelingenstatus en dus ook de verblijfsvergunning asiel intrekken. Er is dan volgens de Afdeling geen ruimte voor een nadere evenredigheidsbeoordeling in het concrete geval, ook niet op basis van het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw moet dan ook zo worden gelezen dat de minister de verblijfsvergunning asiel moet intrekken als bekendheid met de juiste of volledige gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag zou hebben geleid.
16. De rechtbank stelt vast dat de minister in het besluit voor eiseres en de kinderen wel een evenredigheidstoets heeft verricht. Naar het oordeel van de rechtbank is het enkele tijdsverloop tussen het IAB en de intrekking van de verblijfsvergunning niet voldoende voor de conclusie dat de intrekking van de verblijfsvergunningen onevenredig is. Eisers hebben ook niet verder toegelicht waarom het enkele verlopen van tijd tussen het IAB en het voornemen zou moeten leiden tot de conclusie dat de afhankelijke vergunning van eiseres en de kinderen niet ingetrokken zou mogen worden.
Vrees voor vervolging en risico op ernstige schade
17. Eisers voeren aan dat de minister ten onrechte heeft overwogen dat niet aannemelijk is dat eiser door zijn werkzaamheden voor en betrokkenheid bij de Hizmet-beweging bij terugkeer naar Azerbeidzjan te vrezen heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. Eisers wijzen erop dat de minister niet twijfelt aan de werkzaamheden van eiser voor de Hizmet-beweging. De minister stelt volgens eisers ten onrechte dat uit de ingebrachte documentatie, over de positie van andere leden van de beweging, niet blijkt dat eiser persoonlijk in de negatieve belangstelling staat en dat de minister ten onrechte niet heeft onderzocht of eiser het uitdragen van het gedachtegoed van de Hizmet-beweging zoals hij dat in Nederland doet, wil voortzetten in Azerbeidzjan en of dat kan leiden tot vervolging. Uit de door eisers ingebrachte documentatie, in samenhang met de informatie uit het Algemeen Ambtsbericht Azerbeidzjan 2024, blijkt volgens eiser dat het risicovol is een profiel te hebben dat in verband wordt gebracht met FETÖ.