Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaken tussen
[naam], V-nummer: [nummer], eiser
[naam], V-nummer: [nummer], zoon
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Procesverloop
Voorgeschiedenis
- vonnis van 14 mei 2018;
- vonnis van 2 oktober 2019;
- dagvaarding van 24 februari 2020;
- dagvaarding van 3 maart 2020;
- opsporingsbevel van 6 mei 2020.
Beoordeling door de rechtbank
22.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister bij de beoordeling informatie moet vergaren over wat het voor de kinderen betekent als zij hun privéleven niet in Nederland, maar in Azerbeidzjan zouden moeten voortzetten. De minister heeft daar onvoldoende oog voor gehad, door niet het aangekondigde BIC-assessment af te wachten. Door dit assessment niet af te wachten en bij het besluit te betrekken, zonder op andere wijze te voorzien in het recht van de kinderen om hun mening over de intrekking van de verblijfsvergunning te geven (anders dan door het bevragen van eiser), heeft de minister het bestreden besluit dat ziet op de kinderen niet zorgvuldig voorbereid. Gelet op de samenhang tussen de beide besluiten – dat van eiseres en de kinderen en dat van eiser – betekent dit dat er ook een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek kleeft aan het bestreden besluit van eiser. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten, maar ziet wel aanleiding om de rechtsgevolgen daarvan in stand te laten. Eisers hebben het BIC-assessment in beroep alsnog overgelegd en de minister heeft daarop schriftelijk gereageerd. Daarmee heeft de minister zich alsnog rekenschap gegeven van de positie van de kinderen.