ECLI:NL:RVS:2014:220
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H. Troostwijk
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat weigering verblijfsvergunning niet in strijd is met artikel 8 EVRM
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag die het bezwaar van een vreemdeling tegen de weigering van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd gegrond had verklaard. De vreemdeling, geboren in 1936 en van Surinaamse nationaliteit, had een aanvraag ingediend die door de minister voor Immigratie en Asiel was afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).
De rechtbank oordeelde dat het besluit van de staatssecretaris in strijd was met artikel 3.71, tweede lid, onder l, van het Vreemdelingenbesluit 2000 en artikel 8 EVRM Pro, omdat er sprake was van meer dan normale emotionele banden tussen de vreemdeling en haar in Nederland wonende kinderen, en dat het gezinsleven in Suriname niet redelijkerwijs kon worden uitgeoefend.
De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte haar eigen oordeel had vervangen door dat van de staatssecretaris en dat de belangenafweging rechtmatig was uitgevoerd, waarbij het algemeen belang van een restrictief toelatingsbeleid zwaarder woog. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank onvoldoende had onderkend dat de staatssecretaris alle relevante feiten had betrokken en dat het besluit niet in strijd was met artikel 8 EVRM Pro. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de weigering van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.