ECLI:NL:RBDHA:2026:16891

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
NL26.9613
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • K.C.L.J. Verhoeven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.115 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 3.119 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 17 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 30c Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiseres diende op 11 oktober 2025 een aanvraag tot verblijfsvergunning asiel in Nederland in, die door de minister op 20 februari 2026 niet in behandeling werd genomen omdat Litouwen verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. Eiseres was eerder in Litouwen asiel aangevraagd en vertrok tijdens de procedure naar België, waar zij ook een asielaanvraag indiende. De rechtbank oordeelt dat eiseres nog procesbelang heeft omdat zij contact onderhoudt met haar gemachtigde en nog belang hecht aan de procedure.

Eiseres voerde aan dat het besluit onzorgvuldig was voorbereid, dat de minister niet zonder meer op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mocht vertrouwen vanwege tekortkomingen in Litouwen, dat zij als bijzonder kwetsbaar moest worden aangemerkt, en dat overdracht zou leiden tot indirect refoulement. De rechtbank verwierp deze gronden omdat eiseres onvoldoende objectieve onderbouwing leverde, de minister terecht uitging van het vertrouwensbeginsel, en er geen aanwijzingen zijn voor fundamentele systeemfouten in Litouwen.

Ook het beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening om de aanvraag onverplicht in behandeling te nemen werd afgewezen. De rechtbank concludeert dat het niet in behandeling nemen van de aanvraag terecht is en verklaart het beroep ongegrond. Eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.9613

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. A. Sloots).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Zij heeft op 11 oktober 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 20 februari 2026 niet in behandeling genomen, omdat Litouwen verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening [1] , op 29 april 2026 op zitting behandeld. Eiseres en haar gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
2.1.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en dat het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2]
4. Eiseres heeft op 11 oktober 2025 een asielaanvraag in Nederland ingediend. De aanvraag is door de minister niet in behandeling genomen, omdat eiseres eerder in Litouwen asiel heeft aangevraagd. Nederland heeft op 14 oktober 2025 de autoriteiten van Litouwen verzocht om eiseres over te nemen. Op 5 december 2025 zijn de autoriteiten van Litouwen hiermee akkoord gegaan. De minister heeft daarom de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen.
Heeft eiseres nog procesbelang?
5. De rechtbank moet beoordelen of eiseres nog procesbelang heeft bij haar beroep. In het bestreden besluit staat namelijk dat uit informatie van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers en de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel van de Nederlandse Politie is gebleken dat eiseres rond 14 januari 2026 met onbekende bestemming is vertrokken.
5.1.
Op 15 januari 2026 heeft Nederland van de Belgische autoriteiten het verzoek ontvangen om eiseres terug te nemen. Uit het standaardformulier voor terugnameverzoeken van diezelfde datum blijkt dat eiseres al rond 22 december 2025 in België is gearriveerd en dat zij ook daar een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Nederland heeft het terugnameverzoek van België op 26 januari 2026 afgewezen, met als reden dat Litouwen verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
5.2.
Volgens vaste rechtspraak, waaronder de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 1 juli 2024, [3] moet de rechtbank ervan uitgaan dat een vreemdeling die vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, waarschijnlijk geen prijs meer stelt op de bescherming in Nederland. Dit is anders als de vreemdeling laat weten dat hij contact onderhoudt met zijn gemachtigde en dus nog belang hecht aan die bescherming. Dat betekent dat de gemachtigde weet waar de vreemdeling verblijft en contact heeft over de voortgang van de procedure en de te maken keuzes. Als er nog sprake is van contact, beoordeelt de rechtbank of uit de beschikbare gegevens afgeleid kan worden dat er een reëel en actueel belang is om de procedure voort te zetten. Daarbij kunnen bijzondere omstandigheden meespelen, zoals genoemd in rechtsoverweging 2.7 van de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling.
5.3.
De rechtbank heeft de gemachtigde van eiseres op 7 april 2026 verzocht de rechtbank te laten weten of er nog contact was met eiseres, of eiseres op de hoogte was van de stand van de procedure, waar zij zich bevond (in België of Nederland) en, als zij in België verbleef, wat de reden daarvoor was. Ook heeft de rechtbank gevraagd wat het ontbreken van contact zou betekenen voor het procesbelang van eiseres. Daarbij heeft de rechtbank verwezen naar de hiervoor genoemde uitspraak. In reactie hierop heeft de gemachtigde van eiseres geantwoord dat er nog contact is met eiseres en dat zij zich in België bevindt. Ook heeft de gemachtigde van eiseres aangegeven dat eiseres “is teruggekeerd vanwege de Dublinprocedure”.
5.4.
Voor de vraag of in deze zaak het procesbelang ontbreekt, moet, zoals hiervoor onder 5.2. is overwogen, uit de omstandigheden omtrent het verblijf in het buitenland duidelijk kunnen worden afgeleid dat eiseres geen verblijf in Nederland meer nastreeft en dus geen actueel en reëel belang bij de uitkomst van haar beroepsprocedure meer heeft. Die omstandigheden zijn er hier niet. Het enkele feit dat eiseres gedurende haar beroepsprocedure naar België is vertrokken en in dat land ook een asielaanvraag heeft ingediend, neemt het belang van eiseres bij de huidige procedure niet weg. Het in België indienen van een asielaanvraag sluit namelijk niet uit dat eiseres, in geval van vernietiging van het besluit op haar Nederlandse asielaanvraag, alsnog de in Nederland verzochte verblijfsvergunning asiel kan krijgen. Dat de minister de mogelijkheid heeft om bij een nieuw besluit op de aanvraag deze buiten behandeling te stellen indien de vreemdeling in het buitenland verblijft, doet niet af aan dit belang, omdat dat een toekomstige onzekere gebeurtenis is en eiseres ook weer tijdig terug kan keren naar Nederland. [4] Omdat niet in geschil is dat eiseres ook na haar vertrek nog contact onderhoudt met haar gemachtigde over haar procedure en er verder ook geen concrete aanknopingspunten zijn dat zij niet langer een asielvergunning in Nederland wil, zijn er geen andere gronden om te concluderen dat eiseres geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. [5]
5.5.
Gezien de informatie van de gemachtigde van eiseres, is niet uitgesloten dat eiseres belang heeft bij de inhoudelijke beoordeling van haar beroep. Het beroep is daarom ontvankelijk.
Heeft de minister het bestreden besluit zorgvuldig voorbereid?
6. Eiseres betoogt dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd, omdat de minister een standaardvoornemen heeft uitgebracht wat te algemeen is geformuleerd. Het schriftelijk voornemen moet ingaan op alle relevante gronden waarop het voorgenomen besluit tot het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is gebaseerd. De minister heeft de specifieke omstandigheden van eiseres onvoldoende concreet beoordeeld en slechts volstaan met de algemene stelling dat er geen informatie is dat Litouwen zich niet aan de internationale regels houdt, zonder daadwerkelijk de actuele situatie te hebben onderzocht. Een behoorlijke voorbereiding vereist echter dat de minister zich een deugdelijk beeld vormt van alle relevante feiten en omstandigheden, aldus eiseres.
6.1
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank maakt het standaardvoornemen niet dat de minister het besluit van eiseres onzorgvuldig heeft voorbereid. In de artikelen 3.115 tot en met 3.119 van het Vreemdelingenbesluit 2000 staat dat het doel van de voornemenprocedure is om de vreemdeling in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze op het voorgenomen besluit te geven. Het schriftelijk voornemen moet ingaan op alle relevante gronden waarop het voorgenomen besluit is gebaseerd, zodat voor de vreemdeling duidelijk is waar hij in de zienswijze op in moet gaan. Uit de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2025 [6] , blijkt dat een standaardvoornemen wel aan de daaraan gestelde vereisten kan voldoen. De minister stelt zich daarbij terecht op het standpunt dat het voornemen een voorbereidingshandeling is waarbij de minister het plan bekend maakt om een asielaanvraag niet in behandeling te nemen. Eiseres krijgt vervolgens de mogelijkheid om op het voornemen te reageren met een zienswijze. Van deze gelegenheid heeft zij gebruik gemaakt en op 22 januari 2026 heeft zij een zienswijze ingediend. Daarnaast is eiseres gehoord. In dat gehoor heeft zij de gelegenheid gehad om haar bezwaren tegen de voorgenomen overdracht kenbaar te maken. Hoewel het klopt dat het voornemen summier is, heeft de minister met inachtneming van het bovenstaande wel voldoende duidelijk uiteengezet waarom Litouwen verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiseres. Daarbij komt dat in het voornemen ook is opgenomen waarom de minister geen aanleiding ziet om de asielaanvraag van eiseres op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening onverplicht aan zich te trekken. Eiseres heeft verder nog bezwaren tegen de overdracht aan Litouwen en persoonlijke omstandigheden naar voren gebracht. Deze zijn door de minister in het bestreden besluit betrokken.
Mag de minister voor Litouwen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
7. Eiseres betoogt dat de minister voor Litouwen niet zonder meer uit kan gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Volgens eiseres zijn er namelijk concrete aanwijzingen voor tekortkomingen in de uitvoering van de asielprocedure in Litouwen. Zo blijkt uit het asieldossier van haar vader dat de Litouwse immigratiedienst zich niet houdt aan rechterlijke uitspraken. De Litouwse rechtbanken hebben meermalen geoordeeld dat het gezin recht heeft op een asielvergunning, maar de Litouwse immigratiedienst heeft consequent geweigerd hieraan uitvoering te geven. Verder heeft het hoogste administratieve gerechtshof van Litouwen op 15 januari 2025 definitief geoordeeld dat eiseres en haar gezin niet aan de criteria voor internationale bescherming voldoen. Hoewel de minister stelt dat eiseres in Litouwen opnieuw asiel kan aanvragen, heeft de minister niet onderzocht of eiseres nog een reële kans heeft op een nieuwe, zorgvuldige beoordeling van haar asielverzoek. Eiseres acht die kans onrealistisch en vreest dat ze na overdracht naar Litouwen naar Irak wordt uitgezet, waar haar leven gevaar loopt. Daarnaast wijst eiseres op ernstige tekortkomingen in detentieomstandigheden en de medische zorg. Eiseres voert aan dat zij in Litouwen gedurende drie maanden onder erbarmelijke omstandigheden in detentie heeft gezeten. Zij heeft hier blijvende rugklachten aan overgehouden. Ook heeft eiseres hier psychische problemen, waaronder zelfmoordgedachten, aan overgehouden. Verder voert eiseres aan dat klagen bij de Litouwse autoriteiten niet realistisch en bij voorbaat kansloos is. Klachten bij de Litouwse autoriteiten bleven namelijk eerder onbeantwoord, waardoor het maar de vraag is of zij na de overdracht de nodige behandeling zal ontvangen voor haar rugklachten en psychische problemen.
7.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat voor Litouwen mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is bevestigd in de uitspraak van de Afdeling van 1 mei 2024. [7] De Afdeling heeft in die uitspraak de beschikbare informatie over onder meer zogenaamde pushbacks, toegang tot de asielprocedure, detentieomstandigheden, opvangvoorzieningen en de mogelijkheden voor toegang tot een effectief rechtsmiddel betrokken. Dit oordeel heeft de Afdeling op 18 juli 2024 en op 19 augustus 2024 bevestigd. [8] Het vorenstaande is pas anders als er sprake is van fundamentele systeemfouten in de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. In het licht van de hiervoor aangehaalde rechtspraak van de Afdeling is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat daarvan sprake is. De minister heeft er terecht op gewezen dat eiseres haar betoog niet met objectieve documenten heeft onderbouwd en dat haar verklaringen op zichzelf dus onvoldoende zijn voor de conclusie dat overdracht aan Litouwen zal leiden tot behandeling strijdig met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het EU Handvest. De minister stelt verder terecht dat de verklaringen van eiseres over de rechtsgang in Litouwen erop wijzen dat Litouwen rechtsbescherming biedt. Dat het hoogste administratieve gerechtshof twee eerdere afwijzingen zou hebben vernietigd en het migratiedepartement zou hebben opgedragen de aanvraag opnieuw te beoordelen, maakt – zonder nadere toelichting en die ontbreekt – ook niet al dat de asielprocedure in Litouwen niet naar behoren functioneert. Wat betreft de detentie stelt de minister terecht dat niet is gebleken dat de detentie onrechtmatig was. Daarnaast heeft de Afdeling geoordeeld dat niet is gebleken dat Dublinterugkeerders structureel worden gedetineerd en dat de opvang- en detentieomstandigheden in Litouwen zijn verbeterd. [9] De minister heeft zich daarbij terecht op het standpunt gesteld dat eiseres, gezien het geaccepteerde claimakkoord, gereguleerd wordt overgedragen. De autoriteiten van Litouwen hebben met het claimakkoord gegarandeerd dat zij het verzoek van eiseres om internationale bescherming in behandeling zullen nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Als eiseres na overdracht aan Litouwen toch gebreken constateert in de opvang- of in de asielprocedure, dan kan zij hierover klagen bij de autoriteiten van Litouwen en, indien nodig, bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat voor haar die mogelijkheid niet bestaat of dat deze bij voorbaat zinloos zou zijn.
Had de minister eiseres als bijzonder kwetsbaar in de zin van het arrest Tarakel moeten aanmerken?
8. Eiseres betoogt dat zij, anders dan de minister heeft overwogen, als bijzonder kwetsbaar moet worden aangemerkt in de zin van het arrest Tarakhel. [10] Zij heeft in Litouwen namelijk onder slechte omstandigheden in detentie gezeten, waardoor zij blijvende rugklachten en ernstige psychische problemen heeft opgelopen. Ook heeft zij in detentie zelfmoordgedachten gekregen. Verder hebben Litouwse autoriteiten haar niet geholpen toen zij daarover heeft geklaagd. Dat de minister haar tegenwerpt dat zij haar kwetsbaarheid niet met documenten heeft onderbouwd is te formalistisch.
8.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Uit dat wat eiseres heeft aangevoerd over haar medische en psychische problemen, volgt niet dat de minister eiseres als bijzonder kwetsbaar in de zin van het arrest Tarakhel had moeten aanmerken en aan Litouwen individuele garanties had moeten vragen. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet met documenten aannemelijk heeft gemaakt dat zij bijzonder kwetsbaar is in de zin van het arrest Tarakhel. De minister mocht dat wel van haar verwachten. Daarnaast heeft eiseres, zoals de minister terecht in zijn besluitvorming heeft betrokken, niet met objectieve gegevens onderbouwd, dat zij zonder aanvullende garanties geen passende opvang of medische zorg zal krijgen in Litouwen. De minister stelt ook terecht dat Nederland erop mag vertrouwen dat de medische zorg in Litouwen hetzelfde is als hier en dat eiseres ook toegang tot deze zorg krijgt. Eiseres heeft niet aangetoond dat zij in Litouwen geen toegang heeft tot medische zorg. Tot slot wordt nog in aanmerking genomen dat de minister, zoals op zitting namens hem is betoogd, in overeenstemming met artikel 32 van Pro de Dublinverordening, met toestemming van eiseres, haar gezondheidsgegevens aan Litouwen zal verstrekken.
Indirect refoulement
9. Eiseres betoogt dat sprake zal zijn van indirect refoulement als zij wordt overgedragen aan Litouwen in het kader van de Dublinverordening. Zij vreest dat zij zal worden uitgezet naar Irak. Onder verwijzing naar haar asielprocedure in Litouwen, stelt zij dat haar eerdere aanvraag is afgewezen, dit ondanks het feit dat haar vader wordt bedreigd. Uit de afwijzende beslissing blijkt in feite dat al is besloten om eiseres uit te zetten naar Irak. Bovendien vindt deze vrees steun in het feit dat zij in Litouwen in detentie geplaatst is geweest en ook dat zij op een lijst was geplaatst met het oog op uitzetting naar Irak.
9.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Uit de uitspraken van het Hof van Justitie van 30 november 2023 [11] en de Afdeling van 12 juni 2024 [12] volgt dat de rechtbank in principe niet mag onderzoeken of er in de aangezochte lidstaat, in dit geval Litouwen, een risico bestaat op schending van het beginsel van non-refoulement. Dit is alleen anders wanneer de rechtbank vaststelt dat er in de aangezochte lidstaat sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken. Gelet op dat wat hiervoor onder 7.1. is geoordeeld, mag voor Litouwen nog steeds worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daarom beoordeelt de rechtbank niet of eiseres bij overdracht aan Litouwen een risico loopt op indirect refoulement.
Had de minister toepassing moeten geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening?
10. Eiseres betoogt dat de minister haar asielaanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening onverplicht in behandeling moet nemen, omdat zij daar opnieuw zal worden geconfronteerd met een systeem dat haar niet heeft beschermd en
haar geen adequate (medische) zorg en begeleiding heeft geboden. Eiseres is psychisch kwetsbaar en heeft geen perspectief in Litouwen omdat de hoogste rechterlijke instantie haar asielverzoek definitief heeft afgewezen. Om die reden vreest eiseres te worden uitgezet naar Irak. Volgens eiseres moeten alle omstandigheden van haar geval in onderlinge samenhang worden bezien. Het gaat niet om losse, op zichzelf staande feiten, maar om een patroon van gebrekkige zorg, ontoereikende rechtsbescherming en gebrek aan perspectief.
10.1.
Een lidstaat kan besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe niet verplicht op grond van de criteria in de Dublinverordening. Dit volgt uit artikel 17, eerste lid, van deze verordening. De minister maakt terughoudend gebruik van deze bevoegdheid. De minister gebruikt deze bevoegdheid indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. [13]
10.2.
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank ziet de minister in dat wat eiseres heeft aangevoerd, niet ten onrechte geen aanleiding om haar asielaanvraag vanwege gestelde onevenredige hardheid onverplicht in behandeling te nemen. De door eiseres in dit licht aangevoerde punten hebben namelijk betrekking op omstandigheden die door de minister al zijn betrokken bij de vraag of hij voor Litouwen uit kan gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [14] De minister heeft daarin, zoals hij terecht in zijn besluitvorming heeft betrokken, ook geen aanleiding hoeven zien om de aanvraag onverplicht in behandeling te nemen.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres in stand blijft. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.C.L.J. Verhoeven, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Met zaaknummer NL26.9614.
2.Dit staat in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Zie ECLI:NL:RVS:2024:2662, onder rechtsoverweging 2.7.
4.Zie artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4049, onder rechtsoverweging 2.1.
6.ECLI:NL:RVS:2025:1642. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4348.
9.Zie de eerder aangehaalde uitspraak van 1 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1806, onder 6 en verder.
10.Zie het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014, Tarakhel tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.
11.ECLI:EU:C:2023:934.
13.Paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
14.Zie de uitspraken van de afdeling van 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1860 en van 2 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4941.