ECLI:NL:RBDHA:2026:16520

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
C/09/686238 / HA RK 25-288
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 RWNArt. 17 RWNArt. 6 lid 1 onder p RWNArt. 2 PaspoortwetArt. 20 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vaststelling Nederlanderschap na verlies door dubbele nationaliteit en verblijf in Suriname

Verzoeker, geboren in 1951 in Suriname, verkreeg bij geboorte de Nederlandse nationaliteit. Na de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 behield hij de Nederlandse nationaliteit omdat hij toen in Nederland woonde. In 2004 keerde hij terug naar Suriname en verkreeg in 2005 de Surinaamse nationaliteit, waarbij hij werd gewezen op het verlies van zijn eerdere nationaliteit. In 2011 werd hem door de Nederlandse ambassade bevestigd dat hij door het vrijwillig verkrijgen van de Surinaamse nationaliteit het Nederlanderschap had verloren.

Verzoeker keerde in 2024 terug naar Nederland en verzocht de rechtbank om vast te stellen dat hij Nederlander is of was, stellende dat de tienjaarstermijn voor verlies van het Nederlanderschap was gestuit door het aanvragen van visa en dat hij een effectieve band met Nederland heeft behouden. De IND verzocht tot afwijzing, stellende dat visa geen reisdocumenten zijn in de zin van de Paspoortwet en dat de tienjaarstermijn niet was gestuit.

De rechtbank oordeelde dat de Nederlandse nationaliteit van verzoeker van rechtswege was verloren op 7 mei 2015, na tien jaar verblijf buiten Nederland met dubbele nationaliteit. De rechtbank wees het beroep op het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel af omdat daarvoor een exclusieve procedure bestaat sinds 1 april 2022. Ook het beroep op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel en het EU-Handvest faalde. De rechtbank stelde vast dat verzoeker Nederlander was van geboorte tot 7 mei 2015 en wees het verzoek verder af.

Uitkomst: Verzoeker verloor de Nederlandse nationaliteit van rechtswege op 7 mei 2015; verzoek tot vaststelling Nederlanderschap wordt afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige Kamer
Rekestnummer: HA RK 25-288
Zaaknummer: C/09/686238
Datum beschikking: 19 mei 2026

Vaststelling Nederlanderschap

Beschikking op het op 4 juni 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoeker],

verzoeker,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.E.M. Bezem in Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, hierna: de IND,
vertegenwoordigd door: mr. A. Salis.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • het bericht van 22 juli 2025 van de IND, met bijlage;
  • het bericht van 12 september 2025 van verzoeker, met bijlagen;
  • het bericht van 5 januari 2026 van de IND;
  • het bericht van 9 maart 2026 van verzoeker;
  • het e-mailbericht van 17 april 2026 van verzoeker.
Op 21 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de advocaat van verzoeker;
  • mr. A. Salis, namens de IND.
Verzoeker en de IND hebben op de zitting een pleitnota overgelegd en voorgedragen.

Feiten

  • Verzoeker is geboren op [geboortedatum] 1951 in [geboorteplaats], [land], dat toen als district deel uitmaakte van het Koninkrijk der Nederlanden.
  • Verzoeker kreeg bij zijn geboorte op grond van de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap (WNI) de Nederlandse nationaliteit.
  • Op 25 november 1975 werd [land] onafhankelijk en trad de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek [land] (TOS) in werking. Verzoeker was toen meerderjarig en woonde in Nederland. Op grond van artikel 3 van Pro deze overeenkomst behield verzoeker de Nederlandse nationaliteit, omdat hij weliswaar in [land] is geboren, maar bij inwerkingtreding van de TOS in Nederland zijn hoofdverblijf had.
  • In 2004 is verzoeker vanuit Nederland teruggekeerd naar [land] met gebruikmaking van de voorzieningen van de Remigratiewet. Verzoeker is op 2 augustus 2004 ingeschreven in het bevolkingsregister van [geboorteplaats].
  • Bij besluit van 7 mei 2005 van de President van de Republiek [land] is aan verzoeker, op zijn verzoek, met ingang van 7 mei 2005 de Surinaamse nationaliteit verleend, waarbij verzoeker erop is gewezen dat hij al het mogelijke moet doen om zijn vorige nationaliteit te verliezen, omdat anders de Surinaamse nationaliteit kan worden ingetrokken.
  • Bij brief van 21 juni 2011 heeft de ambassadeur van de Nederlandse ambassade in [land] verzoeker bericht dat verzoeker door vrijwillige verkrijging van de Surinaamse nationaliteit als meerderjarige het Nederlanderschap van rechtswege heeft verloren.
  • Verzoeker is op 25 oktober 2024 teruggekeerd naar Nederland.
  • Verzoeker beschikt over een Surinaams paspoort, geldig tot 26 maart 2027.

Verzoek en het standpunt van de IND

Verzoeker verzoekt, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, vast te stellen dat hij Nederlander is, althans vast te stellen tot wanneer verzoeker Nederlander is geweest, met veroordeling van de IND in de kosten van deze procedure.
De IND concludeert tot afwijzing van het verzoek.

Beoordeling

De rechtbank overweegt dat het verzoek is gegrond op artikel 17 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Op grond van dit artikel is de rechtbank bevoegd om tot vaststelling van het Nederlanderschap van een persoon over te gaan of tot vaststelling dat die persoon het Nederlanderschap niet bezit.
In geschil is of verzoeker in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit.
Standpunt verzoeker
Verzoeker bezit naar eigen zeggen de Nederlandse nationaliteit. Hij heeft daartoe, kort samengevat, het volgende aangevoerd. Verzoeker stelt zich, onder verwijzing naar de beschikkingen van de Hoge Raad van 26 juni 2025, ECLI:NL:HR:2015:1749, en 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:593, in combinatie met artikel 15 lid 2 sub a en Pro b juncto artikel 15 lid 1 van Pro de RWN, op het standpunt dat hij de Nederlandse nationaliteit niet heeft verloren door het vrijwillig verkrijgen van de Surinaamse nationaliteit op 7 mei 2005. Ook is de verliestermijn van tien jaar, zoals genoemd in artikel 15 lid 4 van Pro de RWN, gestuit en heeft hij om die reden de Nederlandse nationaliteit nooit verloren. Verzoeker heeft namelijk diverse keren een visum aangevraagd voor Nederland, waarbij de ambassade door ambtelijk verzuim heeft miskend dat verzoeker door zijn Nederlandse nationaliteit helemaal geen visum nodig had. De aanvragen van visa moeten volgens verzoeker worden aangemerkt als verstrekking van een document in de zin van de Paspoortwet. Daar komt bij dat aan hem een Nederlands paspoort had moeten worden verstrekt en geen visa, omdat hij ten tijde van de aanvragen van de visa nog steeds Nederlander was. Verzoeker heeft zijn effectieve band met Nederland altijd behouden. Daarnaast doet verzoeker een nadrukkelijk beroep op het evenredigheidsbeginsel, onder verwijzing naar het Tjebbes-arrest, en het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Tot slot stelt verzoeker bijzondere belangen te hebben bij de Nederlandse nationaliteit en doet hij, vanwege zijn medische toestand, een beroep op artikel 26 juncto Pro artikel 35 van Pro het Handvest Grondrechten van de Europese Unie.
Standpunt IND
De IND stelt zich op het standpunt dat verzoeker de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 15 lid 1 onder Pro c van de RWN tien jaar na verkrijging van de Surinaamse nationaliteit op 7 mei 2005, dus per 7 mei 2015, van rechtswege heeft verloren. De IND geeft aan dat niet is gebleken dat aan verzoeker in de periode van 7 mei 2005 tot 7 mei 2015 een Nederlands reisdocument of een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap is verstrekt, wat op grond van artikel 15 lid 4 van Pro de RWN zou hebben geleid tot stuiting van de verliestermijn. Onder verwijzing naar een beschikking van de Hoge Raad van 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:766, stelt de IND dat een visum, met het oog op de rechtszekerheid, niet gelijk kan worden gesteld aan een reisdocument in de zin van de Paspoortwet. Verzoeker heeft voorts zelf meermaals een visum aangevraagd en ging er dus zelf ook vanuit dat hij het Nederlanderschap al verloren was. De stelling van verzoeker dat door de ambassade aan hem een Nederlands paspoort verstrekt had moeten worden en niet een visum, kan volgens de IND niet leiden tot de conclusie dat verzoeker daardoor het Nederlanderschap heeft behouden dan wel daardoor kan verkrijgen. Volgens de IND gaat het beroep van verzoeker op het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel ook niet op.
Oordeel van de rechtbank
Verlies Nederlandse nationaliteit door verkrijging Surinaamse nationaliteit
Tussen partijen is niet in geschil dat verzoeker de Nederlandse nationaliteit niet al op 7 mei 2005, de datum waarop hij de Surinaamse nationaliteit verkreeg, heeft verloren op grond van artikel 15 lid 1 onder Pro a RWN, omdat de uitzonderingen van lid 2 onder a en b van toepassing zijn. Vanaf dat moment had verzoeker dus zowel de Surinaamse als de Nederlandse nationaliteit. Daarbij wijst de rechtbank op de hiervoor genoemde beschikking van de Hoge Raad van 26 juni 2015.
Stuiting tienjaarstermijn?
Verder is tussen partijen niet in geschil dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 15 lid 1 onder Pro c van de RWN, in die zin dat verzoeker vanaf 7 mei 2005 in het bezit is (geweest) van een dubbele nationaliteit en een ononderbroken periode van tien jaar zijn hoofdverblijf heeft buiten Nederland of de in deze bepaling bedoelde gebieden. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verzoeker deze periode heeft gestuit, zoals bedoeld in artikel 15 lid 4 van Pro de RWN.
Artikel 15 lid 1 onder Pro c in samenhang gelezen met lid 4 van de RWN luidde in 2015:
“1. Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren:
(…);
c. indien hij tevens een vreemde nationaliteit bezit en tijdens zijn meerderjarigheid gedurende een ononderbroken periode van tien jaar in het bezit van beide nationaliteiten zijn hoofdverblijf heeft buiten Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, en buiten de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is, anders dan in een dienstverband met Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten dan wel met een internationaal orgaan waarin het Koninkrijk is vertegenwoordigd, of als echtgenoot van of als ongehuwde in een duurzame relatie samenlevend met een persoon in een zodanig dienstverband;
(…);
4. De periode, bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt gestuit door de verstrekking van een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap dan wel van een reisdocument of Nederlandse identiteitskaart in de zin van de Paspoortwet. Vanaf de dag der verstrekking begint een nieuwe periode van tien jaren te lopen.”
De rechtbank volgt verzoeker niet in zijn betoog dat de tienjaarstermijn is gestuit met de aanvraag en verkrijging van meerdere visa om naar Nederland te reizen. In artikel 2 lid 1 van Pro de Paspoortwet staat een limitatieve opsomming van documenten die kwalificeren als reisdocumenten van het Koninkrijk der Nederlanden. Een visum wordt daarin niet genoemd. Een visum valt namelijk onder de Rijksvisumwet en is geen paspoort in de zin van de Paspoortwet. Dat medewerkers van de ambassade bij het aanvragen van de visa door verzoeker hebben miskend dat verzoeker niet visumplichtig was en volgens verzoeker eigenlijk aan hem een paspoort hadden moeten verstrekken, maakt het voorgaande niet anders. De tekst van artikel 15 lid 4 van Pro de RWN laat geen ruimte om de tienjaarstermijn te stuiten op andere manieren dan in die bepaling genoemd. Dat is ook in lijn met het in de wetsgeschiedenis van de RWN benadrukte belang van rechtszekerheid in het nationaliteitsrecht. De rechtbank wijst op de hiervoor genoemde beschikking van de Hoge Raad van 27 maart 2015, onder rechtsoverweging 3.6.1.
Wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, betekent dat verzoeker in principe op 7 mei 2015 de Nederlandse nationaliteit van rechtswege heeft verloren.
Toetsing aan het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel
Verzoeker heeft aangevoerd dat het verlies van de Nederlandse nationaliteit in zijn geval
in strijd is met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel, onder meer omdat hij door de Nederlandse Staat – achteraf gezien onterecht – steeds is voorgelicht dat hij de Nederlandse nationaliteit niet langer had en dat hij om die reden geen Nederlands paspoort heeft aangevraagd, terwijl hij door met visa naar Nederland te reizen een effectieve band met dat land heeft behouden.
De rechtbank zal hierna eerst beoordelen of in de onderhavige vaststellingsprocedure (nog) ruimte is voor toetsing aan het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. Voor die beoordeling zijn de hierna te noemen regelgeving en jurisprudentie van belang.
De Hoge Raad heeft bij de hiervoor genoemde beschikking van 3 april 2020, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:
“3.5 Hetgeen hiervoor (…) is overwogen, komt in de kern erop neer dat [verweerster] vanaf haar geboorte in het bezit was van de Nederlandse nationaliteit, dat zij deze nationaliteit nog bezat toen zij op 19 december 2001 naar [land] terugkeerde en dat zij deze nationaliteit bij gelegenheid van haar verkrijging van de Surinaamse nationaliteit op 30 april 2004 behield. Bij die stand van zaken is er geen grond (…) om de tienjaarstermijn van art. 15 lid Pro 1, aanhef en onder c, RWN op een later tijdstip te doen aanvangen dan op 30 april 2004, dat wil zeggen op het tijdstip waarop [verweerster] (i) in het bezit van zowel de Nederlandse als de Surinaamse nationaliteit, (ii) als meerderjarige (iii) haar hoofdverblijf in [land] had, een en ander als bedoeld in art. 15 lid Pro 1, aanhef en onder c, RWN. Het vorenstaande strookt met het in de wetsgeschiedenis van art. 15 lid Pro 1, aanhef en onder c, RWN benadrukte belang van de in het nationaliteitsrecht gewenste rechtszekerheid.6
3.6
De rechtbank heeft het vorenstaande miskend. (….)
3.7.1
Indien in de procedure na terugwijzing komt vast te staan dat de verliesgrond van art. 15 lid Pro 1, aanhef en onder c, RWN is ingetreden en dat [verweerster] als gevolg daarvan haar Nederlanderschap heeft verloren, dient de rechtbank – met inachtneming van hetgeen het HvJEU heeft overwogen in het Tjebbes-arrest7 – na te gaan of voor [verweerster] het verlies van de Nederlandse nationaliteit, dat voor haar het verlies van het burgerschap van de Unie en de daaruit voortvloeiende rechten meebrengt, in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel wat betreft de gevolgen ervan voor haar situatie en, in voorkomend geval, voor die van haar gezinsleden, uit het oogpunt van het Unierecht.8 Daarbij kan ook in aanmerking worden genomen dat van [verweerster] in de periode voorafgaand aan de (…) uitspraak van de Hoge Raad van 26 juni 2015 niet kon worden gevergd een poging te doen de tienjaarstermijn van art. 15 lid Pro 1, aanhef en onder c, RWN te stuiten op de wijze vermeld in art. 15 lid 4 RWN Pro, gelet op de in die periode (en ook nog nadien (…)) door de Nederlandse autoriteiten gehuldigde rechtsopvatting (…).
Nu een onderdaan van een lidstaat tegenover de lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit, de rechten kan inroepen die behoren bij zijn door art. 20 VWEU Pro verleende status van burger van de Unie,9 kan de uitkomst van deze evenredigheidstoetsing ertoe leiden dat de rechtbank dient te beslissen dat [verweerster] de Nederlandse nationaliteit met terugwerkende kracht herkrijgt. Daaraan doet niet af dat de huidige RWN geen grondslag biedt voor een dergelijke herkrijging met terugwerkende kracht van het Nederlanderschap.10 (…)
3.7.2
Opmerking verdient dat er geen grond is (…) om het toepassingsgebied van de hiervoor in 3.7.1 bedoelde evenredigheidstoetsing en de daaraan verbonden mogelijkheid van herkrijging met terugwerkende kracht van het Nederlanderschap, te beperken tot bestuursrechtelijke procedures, zodat voor een en ander ook plaats is in een procedure op de voet van art. 17 RWN Pro.
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
7 HvJEU 12 maart 2019, zaak C-221/17, ECLI:EU:C:2019:189 (
Tjebbes), punt 40, onder verwijzing naar HvJEU 2 maart 2010, zaak C-135/08, ECLI:EU:C:2010:104 (
Rottmann), punten 55-56.
8 Zie voor de nadere invulling van deze evenredigheidstoetsing HvJEU 12 maart 2019, zaak C-221/17, ECLI:EU:C:2019:189 (
Tjebbes), punten 44-46, en ABRvS 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:423, rov. 11.2.
9 Zie HvJEU 10 mei 2017, zaak C-133/15, ECLI:EU:C:2017:354 (
Chavez-Vilchez), punt 60.
10 Zie voor de verplichting van de minister van Buitenlandse Zaken om art. 20 VWEU Pro aldus toe te passen, ABRvS 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:423, rov. 11.1 en 11.3.”
Met ingang van 1 april 2022 is in werking getreden artikel 6 lid 1 onder Pro p RWN, dat luidt als volgt:
“1. Na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring verkrijgt door een bevestiging
als bedoeld in het derde lid het Nederlanderschap:
(…)
p. de vreemdeling die het Nederlanderschap van rechtswege heeft verloren, indien met dat verlies het Unieburgerschap verloren ging en op dat moment redelijkerwijs voorzienbaar was dat dit tot onevenredige gevolgen uit het oogpunt van het Unierecht zou leiden. De herkrijging geschiedt met terugwerkende kracht tot en met het moment waarop het Nederlanderschap verloren ging. Het tweede lid is niet van toepassing; (…)”
In de Memorie van Toelichting [1] bij deze bepaling staat:
“De huidige RWN voorziet niet in een grondslag om na van rechtswege verlies van het Nederlanderschap in concrete gevallen aan het evenredigheidsbeginsel te toetsen, noch in een grondslag waarmee het Nederlanderschap met terugwerkende kracht kan worden herkregen. Met dit wetsvoorstel wordt hierin voorzien. Aan artikel 6, eerste lid, RWN wordt een nieuw optierecht toegevoegd waarmee een persoon wiens Nederlanderschap van rechtswege verloren is gegaan, dat Nederlanderschap onder bepaalde omstandigheden met terugwerkende kracht kan herkrijgen. Na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel biedt dit optierecht een exclusieve procedure om de in het arrest bedoelde toetsing aan het evenredigheidsbeginsel te verrichten, en het Nederlanderschap zo nodig met terugwerkende kracht te herkrijgen.”
De rechtbank stelt voorop dat het verlies van het Nederlanderschap in dit geval onder meer tot gevolg heeft dat het Unieburgerschap zoals bedoeld in artikel 20 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) verloren gaat. Daarmee valt de situatie onder de werkingssfeer van het Unierecht, waaronder het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. Dat betekent dat moet worden onderzocht welke gevolgen het verlies van de Nederlandse nationaliteit heeft voor de betrokken persoon vanuit het oogpunt van het Unierecht.
De RWN voorziet sinds 1 april 2022 in artikel 6 lid 1 onder Pro p evenwel in een afzonderlijke administratiefrechtelijke procedure voor een Unierechtelijke evenredigheidstoets. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever met deze bepaling heeft beoogd de gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap in een daartoe ingerichte exclusieve procedure te toetsen aan het evenredigheidsbeginsel.
Volgens verzoeker is het niet aan de wetgever om een dergelijke keuze voor exclusiviteit te maken, maar moet in iedere procedure die gevolgen heeft voor het Unieburgerschap worden getoetst aan het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel als daarop een beroep wordt gedaan. De rechtbank volgt verzoeker daarin niet. In dit verband wijst de rechtbank op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 september 2023, X, C-689/21 (Udlændinge), ECLI:EU:C:2023:626, punt 41, waaruit volgt dat het een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat is om de procedureregels vast te stellen die moeten zorgen voor de bescherming van de rechten die de rechtzoekenden aan het Unierecht ontlenen mits deze regels met name het doeltreffendheidsbeginsel eerbiedigen. Dat betekent dat deze regels het in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken om de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten uit te oefenen. Verzoeker heeft in de procedure op grond van artikel 6 lid 1 onder Pro p van de RWN de mogelijkheid om in het kader van het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel te laten onderzoeken welke gevolgen het verlies van het Nederlanderschap voor hem heeft. Dat met deze procedure het doeltreffendheidsbeginsel niet wordt geëerbiedigd heeft verzoeker niet aangevoerd en is de rechtbank ook overigens niet gebleken. De rechtbank wijst in dit kader ook op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5370, onder 8.1 tot en met 8.5.
Omdat het verzoek is ingediend ná de inwerkingtreding van artikel 6 lid 1 onder Pro p RWN en verzoeker op grond van die bepaling een exclusieve rechtsingang heeft om de gevolgen van het verlies van het Nederlanderschap te toetsen aan het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel, is voor een dergelijke toets in een procedure op grond van artikel 17 van Pro de RWN geen plaats. Dat betekent dat de rechtbank in de onderhavige procedure niet toekomt aan een beoordeling van de omstandigheden die verzoeker heeft aangevoerd in het kader van het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel.
Beroep op het Unierechtelijk vertrouwensbeginsel, het Unierechtelijk rechtszekerheidsbeginsel en artikelen 26 en 35 van het EU HandvestVerzoeker heeft in het verzoekschrift nog het Unierechtelijk vertrouwensbeginsel, het Unierechtelijk rechtszekerheidsbeginsel en artikelen 26 en 35 van het EU Handvest benoemd, maar dit betoog zeer summier onderbouwd. Voor zover hij daarop een beroep heeft willen doen, slaagt dit reeds daarom niet.
ConclusieWat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, betekent dat verzoeker vanaf zijn geboorte
tot 7 mei 2015 de Nederlandse nationaliteit bezat. Op 7 mei 2015 heeft verzoeker de Nederlandse nationaliteit van rechtswege verloren. De rechtbank zal vaststellen dat verzoeker van [datum] 1951 tot 7 mei 2015 de Nederlandse nationaliteit bezat en zal het meer of anders verzochte afwijzen.
Proceskosten
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een veroordeling van de IND in de proceskosten van verzoeker en zal het verzoek daartoe afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
stelt vast dat verzoeker van [datum] 1951 tot 7 mei 2015 de Nederlandse nationaliteit bezat;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. van der Vliet, A.P. de Klerk en E.G. Nuboer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Sluijmer als griffier en uitgesproken op de openbare zitting van 19 mei 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!

Voetnoten

1.Kamerstukken II 2020/21, 35 859 (R2157), nr. 3, p. 1 en 2.