ECLI:NL:RVS:2025:5370
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlies Nederlanderschap na verblijf in Turkije en weigering paspoortaanvraag
Appellant, geboren in Amsterdam en houder van de Nederlandse en Turkse nationaliteit sinds 1996, verhuisde in 2002 naar Turkije. Na tien jaar onafgebroken verblijf in Turkije verloor zij op 20 april 2019 het Nederlanderschap van rechtswege volgens artikel 15 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). In 2022 diende zij een aanvraag in voor een Nederlands paspoort, die door de minister werd geweigerd omdat zij het Nederlanderschap niet meer bezit.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de wetswijziging van 1 april 2022 die de termijn verlengde van tien naar dertien jaar niet met terugwerkende kracht geldt. Appellant voerde aan dat de termijn gestuit werd door een poging tot paspoortaanvraag in 2020, maar dit werd verworpen omdat het Nederlanderschap toen reeds verloren was.
Appellant stelde tevens dat het verlies van het Nederlanderschap onevenredige gevolgen heeft, onder meer vanwege familiebanden in Nederland, en dat de minister een Unierechtelijke evenredigheidstoets had moeten uitvoeren. De Afdeling oordeelde dat sinds 1 april 2022 deze toets niet meer in de paspoortprocedure wordt gedaan, maar via een aparte optieverklaring volgens artikel 6 RWN Pro. Appellant heeft deze procedure niet gevolgd.
De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de paspoortaanvraag bevestigd vanwege het verlies van het Nederlanderschap in 2019.