Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14620

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
25/1728 en 26/2330
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 lid 2 ParticipatiewetArt. 58 lid 1 ParticipatiewetArt. 475b Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 475c Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 475d Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet-bewoning uitkeringsadres en weigering huisbezoek

Eiser ontving bijstand op grond van de Participatiewet en gaf een adres op als hoofdverblijf. Het college introk de uitkering en vorderde terugbetaling wegens vermoedelijke niet-bewoning van het uitkeringsadres, gebaseerd op extreem laag waterverbruik en weigering medewerking aan huisbezoek.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat eiser zijn hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres had, mede door het extreem lage waterverbruik van 1 m³ in de relevante periode. Eiser kon dit niet voldoende weerleggen met zijn mantelzorgsituatie en andere omstandigheden zoals elektriciteitsverbruik en gesprekken met begeleiders.

Daarnaast weigerde eiser medewerking aan een direct aansluitend huisbezoek, zonder zwaarwegend belang dat deze weigering rechtvaardigde. Hierdoor mocht het college de uitkering intrekken vanaf 12 juni 2024.

Het beroep van eiser is ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Het college mag het teruggevorderde bedrag van ruim €22.900 innen, waarbij eiser bescherming geniet van de beslagvrije voetregels. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering is ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 25/1728 en 26/2330
uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 april 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. S. van der Eijk),
en

het college en burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem¸ het college

(gemachtigde: mr. T. Bui).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering die eiser ontving op grond van de Participatiewet (Pw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering.
1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de bijstandsuitkering heeft kunnen intrekken en terugvorderen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Procesverloop

2. Het college heeft met het primaire besluit van 5 september 2024 de bijstandsuitkering van eiser over de periode van 27 maart 2023 tot en met 11 juni 2024 ingetrokken en een bedrag van € 18.527,79 aan te veel uitbetaalde bijstand teruggevorderd. Ook heeft het college de bijstandsuitkering van eiser ingetrokken met ingang van 12 juni 2024. Ook heeft het college over de periode van 27 maart 2023 tot en met 12 mei 2024 een bedrag van € 1.886,69 aan bijzondere bijstand teruggevorderd en moet eiser € 2.496,49 terugbetalen voor een lening voor verhuis- en inrichtingskosten en openstaande vorderingen.
2.1.
Met het bestreden besluit van 20 januari 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.
2.3.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiser daartegen. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Eiser ontving laatstelijk sinds 26 april 2022 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande. Eiser heeft het adres [adres] te [woonplaats] (het uitkeringsadres) als woonadres opgegeven. Naar aanleiding van een melding vanuit Stichting Meerwonen heeft de afdeling Handhaving van het college een onderzoek verricht naar het recht op bijstand van eiser. In dit kader is onder andere het water-, gas- en elektriciteitsverbruik opgevraagd. Op 10 april 2024 hebben medewerkers van het team controle en handhaving een poging tot een huisbezoek gedaan op het uitkeringsadres. Op 12 juni 2024 heeft er een gesprek plaatsgevonden met eiser. Direct na dat gesprek wilden de betrokken medewerkers van de gemeente een huisbezoek afleggen, maar dat is uiteindelijk niet doorgegaan, volgens het college omdat eiser medewerking weigerde.
3.1.
Naar aanleiding van bovenstaande gebeurtenissen hebben medewerkers van het team controle en handhaving op 18 juni 2024 een handhavingsrapport opgesteld, waarbij het college werd geadviseerd om eisers uitkering in te trekken en terug te vorderen.
3.2.
Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd eiser de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat hij sinds 27 maart 2023 zijn hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres heeft. Gelet op het extreem lage verbruik van water, elektra en gas is de conclusie gerechtvaardigd dat eiser zijn hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres heeft. Eiser heeft niet aannemelijk kunnen maken waarom het waterverbruik zo laag is. Tijdens het gesprek op 12 juni 2024 is eiser gevraagd om medewerking te verlenen aan het beoordelen van zijn woonsituatie door middel van het afleggen van een huisbezoek. Eiser heeft hier feitelijk geen medewerking aan willen verlenen. Hoewel eiser stelt dat hij het huisbezoek wel wilde toestaan op een ander moment, of eerst na overleg met zijn advocaat, vindt het college dat er geen redelijke grond bestond om niet onverwijld medewerking te verlenen aan het huisbezoek aansluitend op het gesprek.
De intrekking en terugvordering over de periode van 27 maart 2023 tot en met 11 juni 2024
4. De te beoordelen periode loopt van 27 maart 2023 tot en met 11 juni 2024.
4.1.
Een besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Deze bewijslast brengt in dit geval met zich dat het college aannemelijk moet maken dat eiser gedurende de te beoordelen periode de op hem rustende inlichtingen-verplichting heeft geschonden door niet te melden dat hij zijn hoofdverblijf niet had op het uitkeringsadres.
4.2.
Het woonadres van een betrokkene is het adres van de woning waar hij zijn hoofdverblijf heeft. Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijke leven is. Dit moet worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat van essentieel belang is voor de verlening van bijstand
4.3.
Voor de bepaling van het hoofdverblijf kan het waterverbruik van betekenis zijn. Een waterverbruik van maximaal 7 m³ per jaar per huishouden – ongeacht het aantal personen van dit huishouden – is extreem laag. Een extreem laag waterverbruik rechtvaardigt de vooronderstelling dat de woning niet wordt bewoond en dat dus de betrokkene niet zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres. Het is dan aan de betrokkene om die vooronderstelling te weerleggen. Dit volgt uit vaste rechtspraak. [2]
4.4.
Niet in geschil is dat het geregistreerd waterverbruik op het uitkeringsadres in de periode van 27 maart 2023 tot en met 8 april 2024 1 m³ was en dat dit verbruik extreem laag is.
4.5.
Eiser voert aan dat hij, ondanks het extreem lage waterverbruik, wel zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. Het lage waterverbruik kan worden verklaard doordat eiser zich sinds maart 2023 als mantelzorger over zijn moeder heeft ontfermd. Zijn moeder heeft 24 uur per dag en 7 dagen per week intensieve zorg nodig. Eiser was daarom overdag veel bij haar. Eiser heeft bovendien regelmatig bij zijn moeder gedoucht en hij spoelt zelden het toilet door. Daarnaast zijn er volgens eiser ook indicaties die er op wijzen dat hij wel op het uitkeringsadres woonde. Zo is het elektriciteitsverbruik in de periode van mei 2023 tot mei 2024 ongeveer drie keer zo hoog als het verbruik in de periode van mei 2022 tot mei 2023. Dit past niet bij het beeld dat eiser niet op het uitkeringsadres woonde. Verder heeft eiser ook veelvuldig gesprekken gevoerd in zijn woning met begeleiders en maatschappelijk werkers.
4.6.
Eiser heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk gemaakt dat hij ondanks het extreem lage waterverbruik zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. De omstandigheid dat eiser veel tijd bij zijn moeder doorbracht als mantelzorger is onvoldoende om het extreem lage waterverbruik te kunnen verklaren. Dat het elektriciteitsverbruik op het uitkeringsadres is toegenomen in de periode van mei 2023 tot mei 2024, leidt niet tot het oordeel dat eiser daar daadwerkelijk woonde. Hoewel het elektriciteitsverbruik is toegenomen ligt het nog steeds ver onder het gemiddelde verbruik van een eenpersoonshuishouden conform de norm van de Nibud. Ook omstandigheid dat eiser gesprekken met zijn begeleiders en maatschappelijk werkers heeft gevoerd op het uitkeringsadres maakt nog niet dat hij daar ook zijn hoofdverblijf had.
4.7.
Eiser heeft geen andere gegevens overgelegd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat hij zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. Daarom heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn hoofdverblijf in de periode van 27 maart 2023 tot en met 11 juni 2024 niet op het uitkeringsadres had. Door hier geen melding van te maken heeft eiser de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden.
5. Het college is verplicht om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Dit uitgangspunt staat in artikel 58, eerste lid, van de Pw.
5.1.
Het college heeft in totaal een bedrag van € 22.911,17 aan te veel uitbetaalde bijstand, bijzondere bijstand, leningen en een openstaande vordering teruggevorderd. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat dit een fors bedrag is, is niet gebleken dat de terugvordering onevenredige nadelige gevolgen teweeg brengt. Hierbij wordt meegewogen dat eiser geen inzicht in zijn financiële situatie heeft gegeven en dat hij zich sinds de beëindiging van zijn bijstandsuitkering op 5 september 2024 niet opnieuw bij het college heeft gemeld voor een bijstandsuitkering. Eiser heeft bovendien bij de invordering als schuldenaar de bescherming van de regels over de beslagvrije voet die zijn neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
De intrekking vanaf 12 juni 2024
6. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Pw is de belanghebbende verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. Indien hij deze medewerkingsverplichting in onvoldoende mate nakomt en als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, kan de bijstand worden geweigerd, beëindigd of ingetrokken. [3] Het recht op bijstand kan worden ingetrokken vanaf de schending van de medewerkings-verplichting. [4]
6.1.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft eiser onvoldoende medewerking verleend aan het huisbezoek dat de medewerkers van het team controle en handhaving aansluitend op het gesprek op 12 juni 2024 wilden afleggen op het uitkeringsadres. Uit het gespreksverslag blijkt dat eiser niet akkoord was dat aansluitend aan het gesprek een huisbezoek plaats zou vinden. Dat eiser later in het gesprek aangeeft dat hij niet weigert mee te werken, maar dat hij eerst met zijn advocaat wil overleggen of dat hij op een ander moment wil meewerken aan een huisbezoek, maakt dit niet anders.
6.2.
De CRvB heeft in vaste rechtspraak geoordeeld dat onder bepaalde omstandigheden het weigeren van de medewerking aan een huisbezoek de betrokkene niet kan worden tegengeworpen. Maar in het algemeen komt groot gewicht toe aan het belang van een bijstandsverlenende instantie om – zo nodig – onmiddellijk een huisbezoek af te leggen om een door de betrokkene opgegeven woonsituatie te verifiëren. De reden daarvan is dat de mogelijkheid bestaat dat in die woonsituatie voor het huisbezoek een wijziging wordt aangebracht, waardoor dit controlemiddel veel minder effectief is. De bijstandsverlenende instantie mag daarom van de betrokkene verlangen dat hij medewerking verleent aan een onmiddellijk af te leggen huisbezoek. Toch kan mogelijk het weigeren van de medewerking de betrokkene niet worden tegengeworpen als de betrokkene een zwaarwegend belang heeft dat de weigering rechtvaardigt. [5]
6.3.
Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat eiser een zwaarwegend belang heeft dat de weigering rechtvaardigt. De medewerkers van het team controle en handhaving hebben tijdens het gesprek, zoals blijkt uit het verslag, voldoende uitgelegd dat zij een huisbezoek af wilden leggen op het uitkeringsadres om te controleren of eiser correct heeft verklaard over zijn woon- en leefsituatie. Ook hebben zij eiser meerdere malen erop gewezen dat het niet verlenen van medewerking aan dit huisbezoek consequenties kan hebben voor zijn recht op bijstand. Dat eiser niet kon meewerken omdat hij om 12 uur een andere afspraak had acht de voorzieningenrechter niet geloofwaardig, aangezien eiser bij aanvang van het gesprek heeft verklaard dat hij pas rond 2 uur een afspraak had. Verder volgt uit het gespreksverslag dat eiser in totaal circa 30 minuten bedenkingstijd heeft gekregen. Hij is in de gelegenheid gesteld om de situatie te bespreken met zijn vertrouwenspersoon en om telefoongesprekken te plegen. Dat de medewerkers van het team controle en handhaven niet hebben gewacht tot eiser zou worden teruggebeld door zijn advocaat, acht de voorzieningenrechter gelet op het belang om een huisbezoek onmiddellijk af te leggen, niet onredelijk.
6.4.
Gelet op het voorgaande moet het eiser redelijkerwijs duidelijk zijn geweest wat de aanleiding en het doel van het af te leggen huisbezoek was en wat de gevolgen zouden kunnen zijn van het niet verlenen van medewerking daaraan. Eiser heeft door zijn handelen
het college de mogelijkheid ontnomen om vast te stellen wat de woon- en leefsituatie op het uitkeringsadres was. Het college heeft daarom de bijstandsuitkering mogen intrekken met ingang van 12 juni 2024.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit ongewijzigd in stand blijft. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
 verklaart het beroep ongegrond;
 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 3 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1986.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB 25 maart 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:523.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB 10 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:38.
5.Bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 13 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:938 en 18 juni 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1255.