Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13212

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
09/860016-11 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 9a SrArt. 3 OpiumwetArt. 511b Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na exploitatie coffeeshops met overschrijding redelijke termijn

De rechtbank Den Haag behandelde een ontnemingszaak tegen een rechtspersoon veroordeeld voor het opzettelijk overtreden van de Opiumwet en witwassen via exploitatie van coffeeshops. Het Openbaar Ministerie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat op ruim €1,7 miljoen.

De verdediging voerde een ontvankelijkheidsverweer wegens overschrijding van de wettelijke termijn, maar de rechtbank verwierp dit op grond van bijzondere omstandigheden en eerdere jurisprudentie. De rechtbank bevestigde dat de vordering tijdig was ingediend na de veroordeling in hoger beroep.

De rechtbank baseerde de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een financieel rapport en het arrest van het gerechtshof Amsterdam, waarbij de exploitatie van coffeeshops buiten de gedoogvoorwaarden viel. De winst werd berekend over de periode 1 januari 2008 tot 28 november 2011, met aftrek van dividenduitkeringen, maar zonder aftrek van belasting. De totale winst werd vastgesteld op €1.662.700.

De betalingsverplichting werd gematigd tot 50% vanwege de rol van de overheid en verder met 10% wegens ernstige overschrijding van de redelijke termijn, waardoor het bedrag op €748.215 werd vastgesteld. De rechtbank legde deze verplichting op aan de veroordeelde rechtspersoon.

Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 22 mei 2026.

Uitkomst: De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €1.662.700 en legt een betalingsverplichting op van €748.215 wegens overschrijding van de redelijke termijn en correcties.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/860016-11 (ontneming)
Datum uitspraak: 22 mei 2026
Vonnis ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
De rechtbank Den Haag heeft op de vordering van het openbaar ministerie en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde] B.V.,
gevestigd aan de [adres 1] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 25 april 2025, 20 juni 2025 (beide regie) en 10 april 2026 (inhoudelijk).
Er heeft een voorbereiding plaatsgevonden met een schriftelijke conclusiewisseling tussen de officier van justitie en de verdediging. De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud daarvan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt dat de officier van justitie, mr. H.C. Vermaseren, op de terechtzitting heeft ingenomen en van hetgeen door [naam 1] namens de veroordeelde en diens raadsman, mr. J.T.E. Vis, op de terechtzitting naar voren is gebracht.

2.De inhoud van de vordering

De inleidende schriftelijke vordering van het Openbaar Ministerie strekt ertoe dat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten en vaststellen op een bedrag van € 1.726.409,00 en aan de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de staat van dat bedrag.

3.De ontvankelijkheid

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vordering tot ontneming.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich namens de vertegenwoordiger van de veroordeelde op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot ontneming wegens schending van de bij artikel 511b lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) gestelde termijn.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Procesverloop
De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 511b lid 1 Sv volgt dat een vordering van het Openbaar Ministerie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) zo spoedig mogelijk doch uiterlijk twee jaren na de uitspraak in eerste aanleg bij de rechtbank aanhangig wordt gemaakt.
Arrest van de Hoge Raad van 21 december 2021
De rechtbank stelt vast dat de Hoge Raad bij arrest van 21 december 2021 in onderhavige zaak heeft geoordeeld dat het eerdere oordeel van het gerechtshof Den Haag dat het Openbaar Ministerie niet de 'nodige voortvarendheid' had betracht bij het opnieuw indienen van de ontnemingsvordering en dat daarom het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk was in die vordering, niet zonder meer begrijpelijk was. Volgens de Hoge Raad had het hof nader moeten motiveren waarom zich geen 'bijzondere omstandigheid' voordeed en waarom van het Openbaar Ministerie kon worden gevergd dat het nog vóór het verstrijken van de in artikel 511b lid 1 Sv genoemde termijn op 21 december 2014, dezelfde ontnemingsvordering nogmaals bij de rechtbank aanhangig zou maken.
De Hoge Raad heeft bij arrest van 21 december 2021 de uitspraak van het hof vernietigd en de zaak naar het hof teruggewezen.
Arrest van het gerechtshof Den Haag van 24 augustus 2023
Ter terechtzitting van 24 augustus 2023 heeft het gerechtshof Den Haag het preliminaire verweer strekkende tot niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie verworpen. Vervolgens hebben zowel de verdediging als de advocaat-generaal verzocht om terugwijzing van de zaak naar de rechtbank.
Naar het oordeel van het hof was de eerste rechter ten onrechte niet toegekomen aan de inhoudelijke behandeling en beoordeling van de ontnemingsvordering. Het hof heeft de zaak teruggewezen naar de rechtbank.
3.3.2.
Beoordeling van het ontvankelijkheidsverweer
De rechtbank constateert dat uit het arrest van 24 augustus 2023 van het hof volgt dat zij het preliminaire ontvankelijkheidsverweer van de verdediging ongegrond heeft verklaard, maar dat daarbij een motivering ontbreekt. Gelet hierop en omdat de verdediging bij de conclusierondes en tijdens het onderzoek ter terechtzitting haar ontvankelijkheidsverweer opnieuw in volle omvang heeft gevoerd, acht de rechtbank het noodzakelijk een gemotiveerde beslissing te nemen wat betreft het door de verdediging gevoerde verweer.
Uit het procesverloop blijkt dat de initiële vordering tot ontneming aanhangig is gemaakt bij de rechtbank in 2014 en dat dit tijdig was. De rechtbank heeft het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in die vordering omdat er op dat moment in de strafzaak geen sprake was van een veroordeling als bedoeld in artikel 36e Sr, nu het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk had verklaard in de vervolging. De omstandigheid dat destijds niet is toegekomen aan een inhoudelijk oordeel met betrekking tot de ontnemingsvordering, houdt dus louter verband met het feit dat er nog geen sprake was van een veroordeling in de strafzaak.
Nadat de veroordeelde door het gerechtshof Amsterdam bij arrest van 3 november 2016 alsnog werd veroordeeld, heeft het Openbaar Ministerie op 17 november 2017 opnieuw een ontnemingsvordering ingediend bij de rechtbank. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke termijn waarbinnen deze vordering aanhangig had moeten worden gemaakt, is overschreden. Er zijn immers meer dan twee jaren verstreken na de uitspraak in eerste aanleg bij de rechtbank. Evenwel is de rechtbank van oordeel dat uit hetgeen zij reeds hiervoor heeft overwogen volgt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat voornoemde termijnoverschrijding niet de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie als rechtsgevolg dient te hebben. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat – gelet op het procesverloop – de veroordeelde er rekening mee diende te houden dat (wederom) een ontnemingsprocedure aan de orde zou zijn. De veroordeelde was er zodoende destijds al van op de hoogte dat een ontnemingsprocedure zou (kunnen) volgen. Een situatie waarbij de veroordeelde wordt overvallen door de ontnemingsvordering is geenszins aan de orde.
3.4.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vordering tot ontneming.

4.De grondslag voor ontneming

4.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de grondslag voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is gelegen in artikel 36e Sr (oud) voor zover de ontneming ziet op de periode vóór 1 juli 2011 en artikel 36e Sr voor zover de ontneming ziet op de periode daarna.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen. Voor zover relevant gaat de rechtbank hierna nader in op hetgeen door de verdediging is aangevoerd.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Arrest van het gerechtshof Amsterdam van 3 november 2016
De veroordeelde is op 3 november 2016 door het gerechtshof Amsterdam, veroordeeld wegens de volgende feiten:
  • in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;
  • in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;
  • in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;
  • gewoontewitwassen, begaan door een rechtspersoon;
  • deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, begaan door een rechtspersoon.
Het gerechtshof heeft aan de veroordeelde geen straf of maatregel opgelegd (artikel 9a Sr).
4.3.2.
Toepassing van artikel 9a Sr en ontneming
De rechtbank stelt voorop dat uit de Checkpoint-jurisprudentie van het gerechtshof Den Haag (arresten van 16 september 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1671 en ECLI:NL:GHDHA:2020:1672) en de Hoge Raad (HR 25 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:68 en ECLI:NL:HR:2022:67) volgt dat een schuldigverklaring zonder oplegging van straf niet met zich brengt dat een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden afgewezen.
Voor zover de verdediging heeft betoogd dat in onderhavige zaak evengoed geen grondslag bestaat voor het ontnemen van wederechtelijk verkregen voordeel, overweegt de rechtbank daarover als volgt.
Uit het door de verdediging aangehaalde arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (18 april 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:4306) blijkt dat het gerechtshof heeft vastgesteld dat de betreffende coffeeshop in die zaak werd gedoogd en dat niet is gebleken dat de betrokkene de gedoogvoorwaarden voor de verkoop van softdrugs heeft overtreden. De rechtbank is zich ervan bewust dat ook in onderhavige zaak sprake is van de zogenaamde ‘achterdeurproblematiek’ bij het gedoogbeleid ten aanzien van de exploitatie van coffeeshops. Evenwel constateert de rechtbank dat uit het veroordelend arrest van het gerechtshof Amsterdam in onderhavige zaak – anders dan in de Bossche zaak – volgt dat de gedoogvoorwaarden wél zijn overschreden. Verder volgt uit het arrest van het gerechtshof Amsterdam dat ‘de veroordeelde als deelnemer van het gestructureerde samenwerkingsverband dat zag op de exploitatie van een drietal coffeeshops zich welbewust heeft begeven buiten de aan het gemeentelijk gedogen verbonden grenzen.’ Het gerechtshof was dan ook van oordeel dat reeds gelet daarop sprake was van een organisatie die gericht was op het plegen van strafbare gedragingen. Gelet op die vaststellingen doet de situatie in het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch zich hier niet voor en gaat de vergelijking dus niet op.
Naar het oordeel van de rechtbank is wel sprake van een situatie die aansluit bij het oordeel van de Hoge Raad in het Black Widow arrest (4 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF1965), waaruit volgt dat in het geval een betrokkene de grenzen van het gedoogbeleid overschrijdt hij in beginsel niet erop mag vertrouwen dat niet strafrechtelijk zal worden opgetreden. Volgens de Hoge Raad moet in een zodanig geval in beginsel al het uit die handel in softdrugs verkregen voordeel geacht worden wederrechtelijk verkregen te zijn.
4.4.
Conclusie
Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat de toepassing van artikel 9a Sr in de onderliggende strafzaak niet in de weg staat aan het aannemen van een grondslag voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het verweer slaagt derhalve niet.

5.De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

5.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich bij de berekening gebaseerd op het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, opgemaakt op 8 april 2014 naar aanleiding van het strafrechtelijk financieel onderzoek dat naar de veroordeelde is ingesteld. De conclusie van dit rapport is, dat het door de veroordeelde totale wederrechtelijk verkregen voordeel € 1.726.409,00 bedraagt.
De officier van justitie komt op een ander bedrag uit dan is berekend in het rapport omdat zij bij de berekening uitgaat van een andere ontnemingsperiode, namelijk de periode van 1 januari 2008 tot 28 november 2011.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op een bedrag van € 1.662.701,00.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het primaire standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel moet worden afgewezen. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat dit op onderdelen dient te worden gematigd.
5.3.
Bewijsmiddelen
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. Het in de strafzaak tegen de veroordeelde op 3 november 2016 gewezen arrest van het gerechtshof Amsterdam;
2. Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel met bijlagen dat op 8 april 2014 is opgemaakt naar aanleiding van het strafrechtelijk financieel onderzoek dat naar de veroordeelde is ingesteld.
5.4.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank gaat voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van de volgende berekening. De bij deze berekening gebruikte aantallen en bedragen ontleent de rechtbank aan de inhoud van de genoemde wettige bewijsmiddelen. Redengevend voor deze schatting zijn de daar vermelde feiten, omstandigheden en gevolgtrekkingen.
Periode
Het wederechtelijk verkregen voordeel is in het rapport berekend over de periode van 23 november 2005 tot en met 28 november 2011 conform artikel 36e lid 2 Sr.
In het rapport is de startdatum 23 november 2005 gehanteerd omdat op die datum in een ruimte boven De Kroeg aan de [adres 2] , in totaal 47,53 kilogram softdrugs werd aangetroffen. In de betreffende ruimte werden [naam 1] en [naam 2] aangetroffen. Uit het strafblad van [naam 1] blijkt dat hij van dat feit is vrijgesproken.
De rechtbank ziet overeenkomstig het standpunt van de officier van justitie aanleiding om de ontneming te beperken tot de periode tussen 1 januari 2008 tot 28 november 2011. Dat is de periode waarin zich de hiervoor genoemde bewezenverklaarde feiten hebben plaatsgevonden.
Opbrengsten
De rechtbank stelt vast dat uit het rapport en de daarbij behorende bijlagen volgt dat de winst voor belasting over de periode 2006 tot en met 28 november 2011 een bedrag ter hoogte van € 1.959.743,00 betrof.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de ontnemingsperiode, dienen de winsten voor belasting van de jaren 2006 (€ 27.895,00) en 2007 (€ 35.815,00) niet te worden meegenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank zal deze bedragen in mindering brengen op de berekende winst over de gehanteerde ontnemingsperiode.
De rechtbank berekent de winst voor belasting van de veroordeelde binnen de ontnemingsperiode van 1 januari 2008 tot en met 28 november 2011 als volgt:
€ 1.959.743,00 – € 27.895,00 – € 35.815,00 = € 1.896.033,00
Nu bij het bepalen van de winst, kosten van de opbrengsten af gehaald zijn, is bij die winstberekening al rekening gehouden met alle aftrekbare kosten.
95% illegale omzet en 5% legale omzet
De officier van justitie heeft ten aanzien van de berekening van de opbrengsten géén rekening gehouden met het feit dat de omzet van de coffeeshops voor 95% bestond uit de verkoop van softdrugs en voor 5% uit overige omzet (zoals de verkopen van eten en drinken, de opbrengsten van een pooltafel, alsmede de verkoop van vloei en tip). Volgens de officier van justitie komt deze 5% omzet weliswaar voort uit legale bedrijfsactiviteiten, maar is deze omzet zodanig vermengd met illegale gelden, dat die zich niet meer laat individualiseren. Daarnaast acht zij het zeer aannemelijk dat de 5% legale omzet volledig afhankelijk was van de 95% illegale omzet.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de 5% omzet in de exploitatie die niet is toe te schrijven aan de verkoop van cannabisproducten niet als wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden aangemerkt.
De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging en overweegt daartoe dat dit deel van de omzet onlosmakelijk samenhangt met de exploitatie van de coffeeshops. Zonder de omzet die is behaald door middel van de handel in softdrugs zou het resterende deel van de omzet niet zijn gegenereerd. Een onderscheid in verschillende soorten omzet (softdrugs en niet-softdrugs gerelateerd) is daarom denkbeeldig. Daarbij wijst de rechtbank erop dat in ieder geval de verkochte vloei en tip producten zijn die ook direct aan de verkoop van softdrugs te relateren zijn.
Gelet op het voormelde zal de rechtbank het hiervoor bepaalde bedrag in volle omvang meenemen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dividenduitkeringen aan [naam 1]
Verder blijkt uit het ontnemingsrapport dat uit de hiervoor berekende winsten in 2008 een dividenduitkering heeft plaatsgevonden van een bedrag ter hoogte van € 233.333,00 aan medeveroordeelde [naam 1] . Deze dividenduitkering vloeide rechtstreeks voort uit de winsten en daarmee het wederrechtelijk verkregen voordeel van deze rechtspersoon. De rechtbank zal voornoemde dividenduitkering dan ook in mindering brengen op de berekende winst in de ontnemingsperiode.
Belasting
De verdediging heeft ten aanzien van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel nog naar voren gebracht dat gerekend dient te worden met nettobedragen, waarbij rekening wordt gehouden met de (betaalde of te betalen) belasting. De rechtbank volgt de verdediging hierin niet. Het fiscale mechanisme houdt in dat voor zover belasting is verschuldigd over wederrechtelijk voordeel, die belastingheffing weer wordt ongedaan gemaakt indien en voor zover dat voordeel weer wordt ontnomen (vgl. HR 17 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0947, en HR 12 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:1). Indien de rechter bij de bepaling van de omvang van het voor ontneming vatbare wederrechtelijk verkregen voordeel rekening zou houden met de daarover reeds geheven of nog te heffen belasting, door de daarmee gemoeide bedragen in mindering te brengen, dan zou er – onder het vigerende belastingrecht – een onevenwichtig, en onbedoeld resultaat worden bereikt. Omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, zijn gesteld noch gebleken. De rechtbank zal daarom geen rekening houden met belastingheffing bij het bepalen van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
5.5.
Conclusie schatting wederrechtelijk verkregen voordeel
Op grond van het voorgaande schat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 1.662.700,00.

6.De vaststelling van de betalingsverplichting

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de betalingsverplichting moet worden vastgesteld op een lager bedrag dan het door haar geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, namelijk € 831.350,00, omdat rekening moet worden gehouden met een correctie van 50% die doorgaans in soortgelijke zaken wordt gehanteerd.
Daarnaast heeft de officier van justitie zich primair op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn niet is overschreden, omdat het tijdsverloop volledig voor rekening dient te komen van de veroordeelde. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat – indien de rechtbank anders zou oordelen – de schending per procesfase dient te worden beoordeeld, in welk geval hooguit geconcludeerd kan worden dat sprake is van een geringe schending en een matiging van € 5.000,00 op de betalingsverplichting kan worden toegepast.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de betalingsverplichting op nihil moet worden vastgesteld.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
6.3.1.
Checkpoint-jurisprudentie
De rechtbank constateert op basis van de aangehaalde Checkpoint-jurisprudentie alsmede uitspraken in soortgelijke zaken dat bij de vaststelling van de betalingsverplichting doorgaans rekening wordt gehouden met enerzijds de omstandigheden waaronder het wederrechtelijk verkregen voordeel is verkregen, de rol van de overheid en de mate waarin de overheid ten gevolge van de exploitatie van de coffeeshop inkomsten heeft genoten, terwijl anderzijds rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat het maatschappelijk niet aanvaardbaar wordt geacht dat een veroordeelde al het door hem met strafbare feiten verdiende geld mag behouden. Voornoemde afweging heeft, blijkens de jurisprudentie in soortgelijke zaken, breed toepassing gevonden. De rechtbank stelt op basis van soortgelijke zaken vast dat bij het vaststellen van de betalingsverplichting doorgaans een correctie van 50% plaatsvindt vanwege de rol van de overheid in brede zin.
De rechtbank ziet aanleiding om ook in onderhavige zaak de nader te bepalen betalingsverplichting te matigen tot 50% van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit betekent dat de betalingsverplichting in beginsel wordt bepaald op een bedrag ter hoogte van € 831.350,00.
6.3.2.
Overschrijding van de redelijke termijn
De verdediging heeft betoogd dat de redelijke termijn is overschreden en dat deze overschrijding moet leiden tot vermindering van het vast te stellen ontnemingsbedrag.
De rechtbank stelt voorop dat de redelijke termijn aanvangt op het moment dat vanwege de Nederlandse staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.
In deze ontnemingszaak gaat de rechtbank uit van een aanvang van de redelijke termijn op 17 november 2017, de dag waarop de ontnemingsvordering (opnieuw) door het Openbaar Ministerie bij de rechtbank Den Haag aanhangig is gemaakt. De rechtbank wijst vonnis op 22 mei 2026, ruim 8 jaar en zes maanden na aanvang van de redelijke termijn.
De rechtbank stelt vast dat de zaak een zeer lange voorgeschiedenis kent. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet uitsluitend aan de proceshouding van de veroordeelde of de verdediging te wijten.
Op grond van het hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn in ernstige mate is overschreden en dat deze overschrijding aanvullende matiging van het ontnemingsbedrag tot gevolg moet hebben.
Zoals reeds onder 6.3.1. van dit vonnis is besproken, is de rechtbank van oordeel dat de betalingsverplichting in beginsel met 50% dient te worden gecorrigeerd tot een bedrag van € 831.350,00. Gelet op het totale proces- en tijdsverloop zal de rechtbank een correctie toepassen van 10% ter hoogte van € 83.135,00. De rechtbank zal dit bedrag in mindering brengen op de vast te stellen betalingsverplichting.
6.4.
Conclusie vaststelling betalingsverplichting
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank de betalingsverplichting vast op een bedrag van € 748.215,00.

7.Het toepasselijke wetsartikel

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals die bepaling ten tijde van belang gold.

8.De beslissing

De rechtbank:
stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
€ 1.662.700,00;
legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van
€ 748.215,00aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is gewezen door
mr. P. van Essen, voorzitter,
mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, rechter,
mr. S. Pereth, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. D.D. Jongen, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 mei 2026.