Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12539

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
NL26.3703
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 4 EU HandvestArt. 3 EVRMArt. 20 lid 1 ProcedurerichtlijnArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening afgewezen

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank heeft het beroep ontvankelijk verklaard, ondanks dat eiser tijdelijk met onbekende bestemming de opvanglocatie had verlaten, omdat er geen concrete aanwijzingen waren dat hij geen procesbelang meer had. De rechtbank heeft vervolgens het bestreden besluit inhoudelijk getoetst.

Eiser stelde dat het besluit onzorgvuldig was voorbereid en onvoldoende gemotiveerd, en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing kon zijn vanwege structurele tekortkomingen in Duitsland, waaronder ontoereikende opvang, beperkte toegang tot rechtsbijstand en pushbacks. De rechtbank oordeelde dat de minister het besluit zorgvuldig had voorbereid, dat het standaardvoornemen aan de vereisten voldeed en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat Duitsland zijn internationale verplichtingen niet nakomt.

De rechtbank bevestigde dat de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat er geen aanleiding was om de asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3703

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en

de minister van Asiel en Migratie

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 21 januari 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben toestemming verleend om de zaak zonder zitting af te doen. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.1.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en dat het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard. [3]
Heeft eiser nog procesbelang?
Toetsingskader
4. Als een vreemdeling in Nederland een asielaanvraag heeft gedaan en vervolgens met onbekende bestemming vertrekt, dan kan dat betekenen dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. De rechtbank kan het beroep dan niet-ontvankelijk verklaren, omdat de vreemdeling in dat geval geen procesbelang (meer) heeft. De rechtbank moet daar wel voorzichtig mee omgaan. Als de gemachtigde van de betrokken vreemdeling nog contact onderhoudt met de vreemdeling over het verloop van de procedure, dan mag er in beginsel van uit worden gegaan dat de vreemdeling nog wel procesbelang heeft. Dat is alleen anders als er concrete aanknopingspunten bestaan waaruit kan worden afgeleid dat de vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland en ook op een andere manier geen actueel of reëel belang meer heeft. [4]
Procesverloop
4.1.
De minister heeft de rechtbank met het bericht van 5 maart 2026 laten weten dat eiser met onbekende bestemming de locatie van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) had verlaten. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser op 5 maart 2026 verzocht om te laten weten of hij nog contact met eiser heeft. De gemachtigde van eiser heeft op 9 maart 2026 laten weten dat hij op dat moment geen contact meer met eiser had en dat hij ook niet op de hoogte was van eisers verblijfplaats. Omdat de periode dat eiser geen contact meer had met gemachtigde nog erg kort was, meende hij dat eiser nog altijd procesbelang had. Ook heeft de gemachtigde in zijn reactie aangegeven dat eiser mogelijk in detentie zou kunnen zitten, omdat dit niet altijd bij de minister bekend is en er daarom ten onrechte een melding wordt gemaakt dat sprake is van vertrek met onbekende bestemming.
4.2.
Gelet op dit bericht heeft de rechtbank op 12 maart 2026 via een bericht in het digitaal dossier, de minister verzocht om op de reactie van de gemachtigde te reageren. Deze reactie is op 18 maart 2026 binnengekomen, waarbij de minister heeft aangegeven dat eiser niet in detentie zit. Ook heeft de minister in zijn reactie het standpunt ingenomen dat nu eisers gemachtigde aangeeft dat er geen contact meer met eiser is, het procesbelang volgens de minister ontbreekt.
4.3.
De rechtbank heeft op 9 april 2026, opnieuw uitvraag gedaan bij gemachtigde via een bericht in het digitaal dossier. De rechtbank heeft gemachtigde daarbij verzocht om de huidige stand van zaken toe te lichten en aan te geven of er op dit moment contact is.
4.4.
Op 17 april 2026 heeft de gemachtigde van eiser de rechtbank geïnformeerd dat uit informatie van het COa blijkt dat eiser zich inmiddels in Ter Apel bevindt en zodoende niet met onbekende bestemming is vertrokken.
4.5.
De rechtbank heeft op 24 april 2026 aan de gemachtigde van eiser gevraagd te verduidelijken of er bij eiser wel of geen behoefte bestaat aan een behandeling van de zaak ter zitting. [5] De gemachtigde van eiser heeft op 24 april 2026 verklaard dat hem niet is gelukt om dit met eiser te bespreken en dat eiser dus ook niet uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven de zaak buiten zitting af te doen. Daarop zijn partijen uitgenodigd voor een zitting op 13 mei 2026.
4.6.
De minister heeft de rechtbank met het bericht van 7 mei 2026 laten weten dat eiser opnieuw met onbekende bestemming de locatie van het Coa had verlaten. De gemachtigde van eiser heeft op 8 mei 2026 laten weten dat hij op dat moment geen contact meer met eiser had en dat hij ook niet op de hoogte was van eisers verblijfplaats. Omdat de periode dat eiser geen contact meer had met gemachtigde nog erg kort was, meende hij dat eiser nog altijd procesbelang had. De gemachtigde heeft daarbij alsnog toestemming gegeven om de zaak zonder zitting op grond van de stukken af te doen.
Oordeel van de rechtbank
4.7
Gezien de hiervoor genoemde specifieke omstandigheden en gezien de informatie van de gemachtigde van eiser, is niet uitgesloten dat eiser belang heeft bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Het beroep is daarom ontvankelijk.
Is het bestreden besluit zorgvuldig door de minister voorbereid?
5. Eiser betoogt dat de het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd omdat de minister een standaard voornemen heeft uitgebracht wat te algemeen is geformuleerd. Ter onderbouwing hiervan verwijst eiser naar een uitspraak van deze rechtbank van 3 juni 2024. [6] In die uitspraak komt de rechtbank tot het oordeel dat het voornemen onzorgvuldig is, waarbij is verwezen naar de nota van toelichting bij de artikelen 3.115 tot en met 3.119 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). In deze artikelen staat dat het doel van de voornemenprocedure is om de vreemdeling in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze over de voorgenomen afwijzing te geven. Het schriftelijk voornemen moet ingaan op alle relevante gronden waarop de voorgenomen afwijzing is gebaseerd, zodat voor de vreemdeling duidelijk is waar hij in de zienswijze op in moet gaan. Eiser betoogt dat de minister dat in zijn zaak niet heeft gedaan en dat in het voornemen compleet voorbij is gegaan aan dat wat eiser in zijn Dublingehoor over zijn bezwaren voor een overdracht naar Duitsland naar voren heeft gebracht.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank maakt het standaardvoornemen niet dat de minister het besluit van eiser onzorgvuldig heeft voorbereid. Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 11 april 2025 [7] , oordeelt de rechtbank dat een standaardvoornemen wel aan de daaraan gestelde vereisten kan voldoen. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat het voornemen een voorbereidingshandeling is waarbij de minister het plan bekend maakt om een asielaanvraag niet in behandeling te nemen. Eiser krijgt vervolgens de mogelijkheid om op het voornemen te reageren met een zienswijze. Van deze gelegenheid heeft eiser gebruik gemaakt en op 5 januari 2026 heeft hij een zienswijze ingediend. Daarnaast is eiser gehoord. In dat gehoor heeft hij de gelegenheid gehad om zijn bezwaren tegen de voorgenomen overdracht kenbaar te maken. Hoewel het klopt dat het voornemen summier is, heeft de minister met inachtneming van het bovenstaande wel voldoende duidelijk uiteengezet waarom Duitsland verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser. Daarbij komt dat in het voornemen ook is opgenomen waarom de minister geen aanleiding ziet om de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening onverplicht aan zich te trekken. Eiser heeft verder nog bezwaren tegen de overdracht aan Duitsland en persoonlijke omstandigheden naar voren gebracht. Deze zijn door de minister in het bestreden besluit betrokken. De beroepsgrond slaagt niet.
Mag de minister voor Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
6. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte zijn asielverzoek niet in behandeling neemt omdat – anders dan de minister stelt – voor Duitsland niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser stelt concrete aanwijzingen naar voren te hebben gebracht waaruit volgt dat er in Duitsland sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en in de opvangvoorzieningen. Uit het AIDA-rapport 2024 [8] blijkt dat asielzoekers zelden rechtsbijstand kunnen inschakelen vanwege de kosten en dat de merits-test [9] in beroep leidt tot afwijzingen die het eerlijke proces ondermijnen. Ook is volgens eiser sprake van overbevolking in de opvangvoorzieningen en van ontoereikende zorg wat leidt tot gezondheidsrisico’s. De artikelen waar eiser in zijn zienswijze naar heeft verwezen tonen volgens hem een bredere trend dat het EU-recht in Duitsland niet wordt nageleefd. Dat Duitsland zich schuldig maakt aan pushbacks en rechterlijke uitspraken negeert, illustreert dat Duitsland zich niet houdt aan zijn internationale verplichtingen. Dat de Duitse autoriteiten met het claimakkoord garanderen dat eisers asielaanvraag in behandeling wordt genomen, doet niet af aan de problematiek die wordt omgeschreven in het AIDA-rapport. Daarnaast stelt de minister zich ten onrechte op het standpunt dat eiser bij voorkomende problemen kan klagen bij de Duitse autoriteiten. Eiser meent namelijk dat hij vanwege een gebrek aan financiële middelen voor het inschakelen van rechtsbijstand en een gebrek aan kennis van de Duitse taal, zich niet tot de Duitse autoriteiten kan wenden om daadwerkelijk gebruik te maken van dit recht. Eiser meent dan ook dat de minister individuele garanties bij de Duitse autoriteiten moet verkrijgen dat opvang voor eiser beschikbaar is en dat zijn asielaanvraag in Duitsland in behandeling wordt genomen. Het enkel aanvaarden van de door Nederland gelegde claim is daarvoor onvoldoende.
Interstatelijk vertrouwen
6.1.
In Dublinzaken geldt het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit houdt in dat de minister er als uitgangspunt op mag vertrouwen dat andere lidstaten zich houden aan hun verplichtingen uit het Unierecht en mensenrechtenverdragen. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet mogelijk is. Dit laat onverlet dat de minister uit eigen beweging ook rekening moet houden met relevante en objectieve informatie over Duitsland. Hij mag een vreemdeling niet overdragen als hij niet onkundig kan zijn van de omstandigheid dat er structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen zijn waardoor een vreemdeling een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van Pro het EU Handvest. [10]
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er in Duitsland sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de asielprocedure en in de opvangvoorzieningen. Het uitgangspunt dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan blijft daarom ongewijzigd. De Afdeling heeft dit uitgangspunt in haar uitspraak van 14 februari 2025 nog bevestigd. [11]
6.3.
In de eerste plaats is van belang dat de Opvangrichtlijn, de Kwalificatierichtlijn en de Procedurerichtlijn van toepassing zijn op de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Duitsland. Eiser heeft in zijn zienswijze en in de beroepsgronden betoogd dat er sprake is van ontoereikende omstandigheden in de opvangvoorzieningen vanwege overbevolking en dat er een beperkte toegang is tot essentiële diensten en ontoereikende medische zorg. Ook heeft eiser betoogd dat hij in Duitsland geen toegang heeft tot adequate rechtsbijstand en dat Duitsland zich schuldig zou maken aan pushbacks. De rechtbank stelt alleen vast dat de minister in het bestreden besluit uitgebreid gemotiveerd is ingegaan op de door eiser bij de zienswijze overgelegde stukken en de daarbij aangehaalde bezwaren voor overdracht. In de beroepsgronden heeft eiser zijn zienswijze grotendeels herhaald, maar niet gemotiveerd weerlegd waarom de minister in het bestreden besluit een onjuist standpunt heeft ingenomen. De rechtbank volgt dan ook het standpunt van de minister en is van oordeel dat het door eiser in de zienswijze aangehaalde informatie uit het AIDA-rapport, de artikelen van NOS en AD niet maken dat voor Duitsland niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Met de door eiser aangehaalde informatie en ingenomen standpunten heeft hij namelijk niet aannemelijk gemaakt dat hij in Duitsland behandeld zal worden in strijd met artikel 4 van Pro het EU Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM. Daarbij stelt de minister zich terecht op het standpunt dat niet is gebleken dat eiser als Dublinterugkeerder geen toegang krijgt tot de asielprocedure, de opvangvoorzieningen of medische zorg. Verder is eiser zelf niet het slachtoffer geworden van pushbacks aan een buitengrens en hebben de Duitse autoriteiten met het expliciete claimakkoord gegarandeerd dat zij eisers verzoek om internationale bescherming in behandeling nemen. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij als Dublinterugkeerder te maken zal krijgen met pushbacks. In de bovenstaande omstandigheden heeft de minister dan ook terecht geen aanleiding gezien om bij Duitsland individuele garanties te vragen. Daarbij is terecht gewezen op de hierboven al genoemde Afdelingsuitspraak van 14 februari 2025, waarin de Afdeling bevestigd dat de minister voor Duitsland uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ook van belang is dat eiser niet eerder als Dublinterugkeerder is overgedragen aan Duitsland en dat niet is gebleken dat eiser eerder heeft geprobeerd om een klacht in te dienen in Duitsland. De door eiser genoemde taalbarrière en gebrek aan financiële middelen doen naar het oordeel van de rechtbank namelijk geen afbreuk aan de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij de Duitse autoriteiten. Voor wat betreft rechtsbijstand hoeft Duisland op grond van artikel 20, eerste lid, van de Procedurerichtlijn, pas gratis rechtsbijstand aan te bieden zodra eiser beroep instelt tegen de beslissing op een asielaanvraag. In de situatie van eiser is dit nog niet aan de orde geweest, zodat ook hieruit niet volgt dat Duitsland zich niet aan zijn internationale verplichtingen houdt.
Tussenconclusie
6.4.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich gelet op bovenstaande overwegingen terecht op het standpunt dat er, ook in het specifieke geval van eiser, voor Duitsland kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister aanleiding moeten zien om eisers asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen?
7. Eiser betoogt dat de minister zijn asielaanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening onverplicht in behandeling had moeten nemen omdat overdracht aan Duitsland vanwege zijn bijzondere omstandigheden van onevenredige hardheid getuigt. Eiser heeft al in zijn zienswijze uitgebreid uiteengezet dat overdracht aan Duitsland om humanitaire redenen onwenselijk is, omdat er concrete aanwijzingen zijn dat Duitsland zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Er is sprake van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en in de opvangvoorzieningen, die maken dat eiser bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van Pro het EU Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank ziet de minister in dat wat eiser heeft aangevoerd, niet ten onrechte geen aanleiding om zijn asielaanvraag vanwege gestelde onevenredige hardheid onverplicht in behandeling te nemen. De door eiser in dit licht aangevoerde punten zien namelijk op omstandigheden die door de minister al zijn betrokken bij de vraag of hij voor Duitsland uit kan gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [12] De minister had daarin ook geen aanleiding hoeven zien om de aanvraag onverplicht in behandeling te nemen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Het niet in behandeling nemen van eisers asielaanvraag blijft in stand. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk.
2.Dit staat in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef onder c, van de Dublinverordening.
4.ABRvS 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662, r.o. 2.2-2.7.
5.Namens de mister was op 3 februari 2026 al toestemming verleend om de zaak buiten zitting af te doen.
6.Rb. Den Haag 3 juni 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:8597, r.o. 4.4.
7.ABRvS 11 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1642. Zie ook ABRvS 23 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4348.
8.AIDA Country Report Germany: Update 2024.
9.De beoordeling of asielzoekers in aanmerking komen voor rechtsbijstand.
10.HvJ 29 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:195, arrest X.
11.ABRvS 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588.
12.ABRvS 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1860 en ABRvS 2 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4941.