ECLI:NL:RBDHA:2026:12539
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening afgewezen
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag op grond van de Dublinverordening.
De rechtbank heeft het beroep ontvankelijk verklaard, ondanks dat eiser tijdelijk met onbekende bestemming de opvanglocatie had verlaten, omdat er geen concrete aanwijzingen waren dat hij geen procesbelang meer had. De rechtbank heeft vervolgens het bestreden besluit inhoudelijk getoetst.
Eiser stelde dat het besluit onzorgvuldig was voorbereid en onvoldoende gemotiveerd, en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing kon zijn vanwege structurele tekortkomingen in Duitsland, waaronder ontoereikende opvang, beperkte toegang tot rechtsbijstand en pushbacks. De rechtbank oordeelde dat de minister het besluit zorgvuldig had voorbereid, dat het standaardvoornemen aan de vereisten voldeed en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat Duitsland zijn internationale verplichtingen niet nakomt.
De rechtbank bevestigde dat de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat er geen aanleiding was om de asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.