AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Intrekking verblijfsvergunning regulier onbepaalde tijd wegens verplaatsing hoofdverblijf buiten Nederland
Eiser, een Turkse onderdaan met een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, is zijn vergunning met terugwerkende kracht per 20 april 2017 kwijtgeraakt omdat hij zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd. De minister heeft dit besluit genomen op basis van het feit dat eiser meer dan zes achtereenvolgende maanden buiten Nederland verbleef en niet aannemelijk maakte dat dit buiten zijn schuld was.
Eiser voerde aan dat de minister onjuist het toetsingskader toepaste en onvoldoende rekening hield met zijn arbeidsverleden onder het Turks associatierecht en zijn intentie om terug te keren. Ook stelde hij dat de minister ten onrechte geen belangenafweging maakte op grond van artikel 8 EVRMPro en dat hij onterecht niet is gehoord in bezwaar.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht uitgaat van de termijn van zes maanden en dat eiser zijn hoofdverblijf sinds medio 2017 in Turkije heeft gevestigd. De minister heeft voldoende gemotiveerd dat geen sprake is van beschermenswaardig familieleven met zijn meerderjarige kinderen in Nederland. Wel is geoordeeld dat eiser ten onrechte niet is gehoord in bezwaar, waardoor het besluit wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand. Eiser krijgt een proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens schending van de hoorplicht, het besluit wordt vernietigd, maar de intrekking van de verblijfsvergunning blijft in stand.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.7265
uitspraak van de meervoudige kamer van 7 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. C. Huy)
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. R.E. van Deijck).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het besluit waarbij de aan eiser verleende verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd met terugwerkende kracht vanaf 20 april 2017 is ingetrokken. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de intrekking van de verblijfsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister op goede gronden en voldoende deugdelijk gemotiveerd is overgegaan tot het intrekken met terugwerkende kracht van de aan eiser verleende verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. De minister heeft eiser in bezwaar echter ten onrechte niet gehoord. Wat dat betreft krijgt eiser gelijk. Het beroep is dus gegrond. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 tot en met 2.2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 tot en met 3.6 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden. Onder 4 tot en met 8.2.1 gaat de rechtbank in op de vraag of de minister zich op goede gronden en voldoende deugdelijk gemotiveerd op het standpunt stelt dat eiser sinds 20 april 2017 niet langer voldoet aan de voorwaarden waaronder de verblijfsvergunning aan hem is verleend, omdat hij zijn hoofdverblijf heeft verplaatst. Onder 9 tot en met 12 laat de rechtbank zich uit over de vraag of de minister voldoende deugdelijk gemotiveerd het standpunt inneemt dat intrekking van de verblijfsvergunning niet in strijd is met artikel 8 vanPro het EVRM. Tot slot, onder 13 tot en met 16.1, gaat de rechtbank in op de vraag of de minister heeft kunnen afzien van het horen van eiser in bezwaar. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Met het primaire besluit van 25 juni 2024 heeft de minister eisers verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ingetrokken met ingang van 20 april 2017. Met het bestreden besluit van 17 januari 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Wat aan de intrekking van de verblijfsvergunning vooraf ging
3. Eiser is op [geboortedag] 1965 geboren in Turkije en heeft de Turkse nationaliteit. Op 13 juni 1991 is aan eiser een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend voor verblijf bij zijn toenmalige Nederlandse echtgenote. Op 20 april 1995 is dit huwelijk ontbonden. Met ingang van 17 april 1996 is aan eiser een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend voor het verrichten van arbeid in loondienst. Deze verblijfsvergunning is verlengd tot 17 april 1999. Daarna is aan eiser met ingang van 17 mei 1999 een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd verleend. Op 4 februari 1998 is eiser opnieuw gehuwd en in maart 1999 en september 2006 zijn eisers kinderen geboren.
3.1.
Vanaf 1 november 1995 heeft eiser zich meerdere keren schuldig gemaakt aan strafrechtelijke gedragingen, waarvoor hij is veroordeeld tot gevangenisstraffen, geldboetes, werkstraffen en ontzeggingen van rijbevoegdheid.
3.2.
In juni 2009 is eiser naar Turkije gereisd vanwege het overlijden van zijn vader. In Turkije is eiser beschuldigd van het plegen van een drugsdelict en aangehouden. Eiser heeft 30 maanden in voorarrest gezeten in Turkije. Op 22 december 2009 is eiser uitgeschreven op zijn woonadres in Nederland. Op 7 december 2011 is eiser in Turkije veroordeeld tot zeven jaar en zes maanden gevangenisstraf, maar direct in vrijheid gesteld onder oplegging van een uitreisverbod. Eiser heeft Turkije kort na 7 december 2011 (op illegale wijze) verlaten en is naar Nederland teruggekeerd. Op 8 februari 2012 is eiser ingeschreven op het woonadres van zijn gezin in Nederland. Op 3 januari 2014 is eiser gedurende twee weken uitgeschreven geweest op het adres van zijn gezin en op 1 oktober 2014 is eiser op dat adres definitief uitgeschreven. Eiser is gescheiden op 1 juli 2015. Zijn kinderen zijn bij zijn ex-echtgenote blijven wonen.
3.3.
Tussen 13 januari 2016 en 16 maart 2016 is eiser wederom in aanraking gekomen met justitie. Van 3 januari 2017 tot 22 mei 2017 heeft eiser een werkstraf van 90 uur uitgevoerd vanwege medeplichtig handelen op grond van de Opiumwet. Medio 2017 is eiser teruggekeerd naar Turkije vanwege een zitting in zijn strafzaak.
3.4.
Per 20 april 2017 is eiser uitgeschreven van zijn woonadres in Nederland en geregistreerd in de Registratie Niet-Ingezetenen.
3.5.
Op 8 januari 2021 is eiser in Turkije gehuwd met een Turks onderdaan. Het huwelijk is ontbonden bij beschikking van de Turkse rechtbank van 19 februari 2024. Uit dit huwelijk zijn geen kinderen geboren.
3.6.
Bij uitspraak van 11 maart 2021 in hoger beroep is eiser in Turkije vrijgesproken in zijn lopende strafzaak. Tegen deze uitspraak heeft eiser cassatieberoep ingesteld. Het cassatieberoep zag op de proceskosten. De uitspraak is definitief geworden na de uitspraak in cassatie op 25 april 2023.
3.7.
Op 14 juli 2023 is aan eiser een nieuw Turks paspoort afgegeven. Op 5 februari 2024 heeft eiser bij de Nederlandse vertegenwoordiging in Turkije verzocht om de afgifte van een visum voor Nederland. Aan eiser is op 7 februari 2024 een visum afgegeven. Met het geldige visum is eiser op 13 maart 2024 naar Nederland gereisd. Op 2 april 2024 heeft eiser een aanvraag ingediend voor vernieuwing van zijn (inmiddels verlopen) verblijfsdocument. Vervolgens is eiser teruggekeerd naar Turkije. Op 14 juni 2024 heeft eiser opnieuw een visum aangevraagd. Deze aanvraag is afgewezen. [1]
Verplaatsing van hoofdverblijf
Standpunt van de minister
4. De minister trekt de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd met terugwerkende kracht per 20 april 2017 in omdat eiser vanaf die datum niet langer voldoet aan de voorwaarden waaronder deze verblijfsvergunning aan hem is verleend, namelijk de voorwaarde dat hij zijn hoofdverblijf in Nederland heeft. [2] Hieraan legt de minister ten grondslag dat eiser meer dan zes achtereenvolgende maanden buiten Nederland heeft verbleven, waarmee de conclusie is gerechtvaardigd dat het hoofdverblijf is verplaatst.
4.1.
Voor zijn conclusie dat eiser zijn hoofdverblijf heeft verplaatst, verwijst de minister naar de omstandigheid dat eiser medio 2017 op zijn eigen initiatief en ondanks het aan hem opgelegde uitreisverbod is teruggekeerd naar Turkije. Daarmee heeft hij willens en wetens het risico genomen niet meer (legaal) naar Nederland te kunnen terugkeren. Dit verblijf buiten Nederland wordt eiser aangerekend en is een indicatie dat hij zijn hoofdverblijf heeft verplaatst. Sinds medio 2017 staat eiser ook niet meer als ingezetene van Nederland geregistreerd. [3] Bovendien is eiser niet direct (binnen zes maanden) na de definitieve vrijspraak in zijn Turkse stafzaak teruggekeerd naar Nederland. De uitspraak in cassatie is gedaan op 25 april 2023, waarbij wordt aangenomen dat toen ook het opgelegde uitreisverbod is ingetrokken. Nadien is aan eiser op 14 juli 2023 een nieuw Turks paspoort afgegeven. Desondanks heeft eiser tot 5 februari 2024 gewacht met het verzoek om de afgifte van een visum voor terugkeer naar Nederland. Sinds 25 april 2023, maar in ieder geval sinds de afgifte van het paspoort, was geen sprake van noodgedwongen verblijf in Turkije, zodat eiser zich eerder had kunnen inspannen voor een terugkeer naar Nederland als dat daadwerkelijk zijn intentie was. Niet is aannemelijk geworden dat de overschrijding van de genoemde zes maanden-termijn is te wijten aan omstandigheden die buiten de schuld of invloed van eiser zijn gelegen, aldus de minister. Gelet hierop en gelet op de omstandigheid dat eiser in 2021 in Turkije is gehuwd met een Turkse, neemt de minister aan dat eiser de intentie heeft gehad zijn hoofdverblijf te verplaatsen en sinds medio 2017 zijn leven buiten Nederland heeft doorgebracht. Daarbij betrekt de minister dat eiser bij zijn aanvraag om vernieuwing van zijn verblijfsdocument van 29 maart 2024 heeft verklaard dat hij van 1 juni 2017 tot 13 maart 2024 zijn hoofdverblijf in Turkije had.
Betoog van eiser
5. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte, onvoldoende zorgvuldig en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst.
5.1.
Primair voert eiser aan dat de minister bij de beoordeling van de verplaatsing van het hoofdverblijf een onjuist toetsingskader heeft toegepast omdat niet is onderkend dat eiser onder de werkingssfeer van het Turks associatierecht valt. In dat geval neemt de minister verplaatsing van het hoofdverblijf (pas) aan als de vreemdeling langer dan twee jaar buiten Nederland heeft verbleven. [4] Als de minister gedegen onderzoek had gedaan, was hij tot de conclusie gekomen dat eiser tijdens zijn onomstreden verblijf in Nederland van 1991 tot 2017 als Turkse werknemer arbeid heeft verricht waarmee hij (verblijfs)rechten heeft opgebouwd onder artikel 6 vanPro Besluit nr. 1/80, zo voert eiser aan. [5] Het arbeidsverleden van eiser is objectief verifieerbaar. Eiser overlegt in dit verband een verzekeringsbericht van het UWV van 9 september 2025. De minister heeft niet kenbaar beoordeeld of eiser zijn opgebouwde rechten onder artikel 6 vanPro Besluit nr. 1/80 heeft verloren. Uit rechtspraak volgt volgens eiser dat dat alleen gebeurt bij het definitief verlaten van de arbeidsmarkt. Eiser betoogt dat daar in zijn geval geen sprake van is. Daarbij wijst eiser erop dat hij Nederland medio 2017 heeft verlaten uitsluitend om de zitting in zijn strafzaak in Turkije te kunnen bijwonen en hij na de definitieve vrijspraak zo snel mogelijk, althans binnen twee jaar, concrete stappen heeft gezet voor terugkeer naar Nederland. Door geen onderzoek te doen naar het arbeidsverleden van eiser, is sprake van een onvoldoende zorgvuldig voorbereid besluit. [6]
5.2.
Subsidiair, in het geval de minister wel het juiste toetsingskader zou hebben toegepast, betoogt eiser dat de minister zich voor de conclusie dat hij zijn hoofdverblijf heeft verplaatst ten onrechte alleen baseert op de duur van het verblijf buiten Nederland. De minister moet daar ook andere feiten en eisers intentie (kenbaar) bij betrekken. [7] Eiser betoogt dat hij niet de intentie had om Nederland te verlaten en zijn hoofdverblijf definitief naar Turkije te verplaatsen en dat de (minimale) overschrijding van de termijn van zes maanden is te wijten aan omstandigheden die buiten zijn schuld zijn gelegen. Dit heeft de minister ten onrechte miskend en ook niet kenbaar onderzocht. Eisers handelingen (het verkrijgen van een nieuw Turks paspoort, de visumaanvraag, de reis naar Nederland en de aanvraag tot vernieuwing van het verblijfsdocument) wijzen juist niet op het (willen) prijsgeven, maar op het willen hervatten van het hoofdverblijf in Nederland. Bovendien acht eiser het innerlijk tegenstrijdig dat de minister hem het verblijf in Turkije van medio 2009 tot eind 2011 niet tegenwerpt, omdat dat verband hield met een valse beschuldiging en onterechte veroordeling, terwijl het verblijf in Turkije vanaf medio 2017, dat hem wel wordt toegerekend, rechtstreeks verband houdt met diezelfde strafrechtelijke procedure. Eiser is in 2017 immers naar Turkije gereisd enkel vanwege de voortzetting van zijn strafzaak.
Reactie van de minister op de beroepsgronden van eiser
6. De minister handhaaft zijn standpunt dat voor de vraag of eiser zijn hoofdverblijf heeft verplaatst van het hoofdverblijf in eisers geval de termijn van zes maanden geldt, omdat het gaat om de intrekking van een nationale verblijfsvergunning. [8] De minister volgt eiser er daarnaast niet in dat hij een verblijfsrecht ontleent aan Besluit nr. 1/80 vanwege in het verleden opgebouwde rechten als werknemer. Daarover overweegt de minister allereerst dat dit betoog niet kan leiden tot onrechtmatigheid van het bestreden besluit omdat eiser dit pas in beroep naar voren brengt. De minister was niet gehouden het arbeidsverleden van eiser actief te onderzoeken. Het lag op de weg van eiser om dit in een zienswijze of tijdens het bezwaar naar voren te brengen. Bovendien behoort eiser niet langer tot de Nederlandse legale arbeidsmarkt waardoor eventueel opgebouwde rechten op grond van artikel 6 vanPro Besluit nr. 1/80 van rechtswege verloren zijn gegaan. [9]
In reactie op de subsidiaire beroepsgrond van eiser overweegt de minister dat hij zich voldoende deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst. Daarbij heeft hij, naast de duur van het verblijf van eiser buiten Nederland, acht geslagen op de verklaringen van eiser bij de aanvraag om vernieuwing van zijn verblijfsdocument, op de omstandigheid dat eiser niet heeft gereageerd op het voornemen tot intrekking van zijn verblijfsvergunning, en op het huwelijk van eiser in Turkije en de ontvangst van een sociale uitkering aldaar. De minister blijft ook bij zijn standpunt dat de overschrijding van de termijn van zes maanden aan eiser te wijten is. Ondanks de uitvaardiging van een uitreisverbod is eiser op eigen initiatief vanuit Nederland naar Turkije teruggekeerd. Ook heeft eiser pas negen maanden na zijn onherroepelijke vrijspraak en opheffing van het uitreisverbod en zes maanden na de afgifte van een nieuw Turks paspoort verzocht om een visum voor Nederland.
Beoordelingskader
7. Op grond van artikel 22, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd worden ingetrokken als de houder daarvan zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd.
7.1.
In paragraaf B12/2.8 van de Vc 2000 is bepaald dat de minister de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd intrekt als zich een omstandigheid voordoet als genoemd in artikel 22, tweede lid, van de Vw 2000 en de artikelen 3.97 en 3.98 van het Vreemdelingenbesluit 2000 hierop geen uitzondering maken. Uit paragraaf B12/2.5, gelezen in samenhang met paragraaf B1/6.2.1 van de Vc 2000 volgt dat de minister onder andere aanneemt dat een vreemdeling zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd als hij meer dan zes achtereenvolgende maanden buiten Nederland heeft verbleven, tenzij de vreemdeling aannemelijk maakt dat overschrijding van de zes maanden is te wijten aan omstandigheden die buiten zijn schuld zijn gelegen. De minister beoordeelt dit aan de hand van de feitelijke situatie, waarbij hij rekening houdt met de intenties van de vreemdeling, voor zover die blijken uit de gedragingen van de vreemdeling. [10] Het is aan de minister om aannemelijk te maken dat zich de in het besluit vermelde intrekkingsgrond voordoet. Als de minister aan deze bewijslast heeft voldaan, is het vervolgens aan de betrokken vreemdeling om het door de minister geleverde bewijs te weerleggen.
7.2.
Uit paragraaf B10/4.4 van de Vc 2000 volgt dat het recht op arbeid en daarmee op verblijf op grond van artikel 6, eerste lid, en artikel 7 vanPro Besluit nr. 1/80 voor een Turkse werknemer of het gezinslid verloren gaat, onder andere, bij langdurige afwezigheid uit Nederland zonder gegronde reden. Daarbij wordt aangenomen dat geen sprake is van langdurige afwezigheid zonder gegronde reden uit Nederland als de Turkse werknemer of het gezinslid korter dan zes achtereenvolgende maanden buiten Nederland heeft verbleven, of Nederland heeft verlaten om belangrijke redenen, zoals zwangerschap en bevalling, ernstige ziekte, studie of beroepsopleiding, en hiervan sprake was gedurende een eenmalige periode van ten hoogste twaalf maanden, of Nederland heeft verlaten voor de vervulling van de militaire dienstplicht. Als de Turkse werknemer of het gezinslid gedurende ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad op grond van artikel 6 enPro/of 7 van Besluit nr. 1/80, wordt langdurige afwezigheid en daarmee verlies van de rechten van artikel 6 enPro/of 7 van Besluit nr. 1/80 aangenomen als de werknemer of het gezinslid in ieder geval twee jaar of langer buiten Nederland heeft verbleven. De reden van de afwezigheid is niet van belang.
Oordeel van de rechtbank
8. Eisers beroepsgronden slagen niet. De minister stelt zich op goede gronden en voldoende deugdelijk gemotiveerd op het standpunt dat eiser niet langer voldoet aan de voorwaarden waaronder de reguliere verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd aan hem is verleend omdat hij zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst, en laat de intrekking terecht terugwerken tot 20 april 2017. De minister hanteert daarbij terecht een termijn van afwezigheid uit Nederland van meer dan zes achtereenvolgende maanden.
8.1.
Voor wat betreft het primaire betoog van eiser wijst de rechtbank er allereerst op dat uit het beleid van de minister volgt dat hij bij de beoordeling of het verblijf van een Turkse onderdaan beëindigd moet worden, ambtshalve betrekt of die verblijfsbeëindiging in strijd is met Besluit nr. 1/80. [11] Het standpunt van de minister in het verweerschrift dat, omdat eiser zijn betoog dat hij (verblijfs)rechten ontleent aan Besluit nr. 1/80 pas in beroep naar voren brengt, dat niet tot onrechtmatigheid van het bestreden besluit kan leiden, kan de rechtbank dan ook niet volgen. Dat eiser dit betoog pas in de beroepsfase, en niet al in bezwaar, voert, maakt dus niet dat het buiten beschouwing gelaten zou moeten worden. De rechtbank volgt de minister echter wel in zijn standpunt dat eisers verblijfsbeëindiging niet in strijd is met Besluit nr. 1/80. Wat eiser hierover in beroep heeft aangevoerd en overgelegd bevat namelijk geen aanknopingspunten voor de conclusie dat eiser ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad op grond van artikel 6 vanPro Besluit nr. 1/80. Ondanks dat eiser stelt dat hij een substantieel arbeidsverleden in Nederland heeft, waarmee hij (verblijfs)rechten zou hebben opgebouwd, onderbouwt hij dat slechts met een verzekeringsbericht van het UWV. Dat bericht, met gegevens over zijn arbeidsverleden vanaf 1998 en gegevens over inkomsten vanaf 2011, heeft de minister in dit verband onvoldoende mogen achten. Uit het bericht blijkt dat eiser van 1998 tot en met 2001 regelmatige werkzaamheden heeft verricht, en ook in 2008. In de tussenliggende jaren en in de jaren tussen 2008 en 2015 heeft eiser echter niet of nagenoeg niet gewerkt. Na 2016 heeft hij in het geheel geen werkzaamheden verricht. Bij het voorgaande merkt de rechtbank nog op dat ook al zou eiser in het verleden arbeid in loondienst hebben verricht, dat niet noodzakelijkerwijs betekent dat hij nu nog werknemer is in de zin van Besluit nr. 1/80 en (verblijfs)rechten aan artikel 6 vanPro Besluit nr. 1/80 ontleent. [12] De rechtbank volgt de minister dus in zijn standpunt dat zelfs als eiser in het verleden tot de Nederlandse legale arbeidsmarkt zou hebben behoord, zijn status van werknemer en zijn (verblijfs)recht op grond van artikel 6 vanPro Besluit nr. 1/80 verloren zijn gegaan omdat hij in ieder geval vanaf 2008 nagenoeg geen legale arbeid meer heeft verricht. [13]
8.1.1.
Het betoog van eiser dat de minister bij de beoordeling van de verplaatsing van het hoofdverblijf een onjuist toetsingskader heeft toegepast omdat in zijn geval daarvan pas sprake is bij verblijf buiten Nederland van langer dan twee jaar, slaagt gelet op het voorgaande niet. De minister is bij zijn beoordeling terecht uitgegaan van een aaneengesloten periode van zes maanden.
8.2.
Ook het subsidiaire betoog van eiser slaagt niet. De minister stelt zich voldoende deugdelijk gemotiveerd op het standpunt dat eiser zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd omdat hij meer dan zes achtereenvolgende maanden buiten Nederland heeft verbleven en niet aannemelijk heeft gemaakt dat dat is te wijten aan omstandigheden die buiten zijn schuld zijn gelegen. Bij deze beoordeling heeft de minister, anders dan eiser betoogt, niet alleen de duur van eisers verblijf buiten Nederland betrokken, maar – conform het beleid – ook de intenties van eiser, voor zover die blijken uit zijn gedragingen. Uit de besluitvorming volgt dat de minister oog heeft gehad voor de situatie waarin eiser in Turkije verkeerde en acht heeft geslagen op eisers verklaringen daarover.
8.2.1.
Eisers verblijf in Turkije van medio 2009 tot 2011, toen hij – naar later is gebleken onterecht – gedetineerd zat, rekent de minister hem niet aan in het kader van de beoordeling of eiser zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst. Nog los van de vraag of het eiser in dit verband kan worden tegengeworpen dat hij medio 2017 op eigen initiatief vanuit Nederland (op illegale wijze) is teruggekeerd naar Turkije voor het bijwonen van de zitting in zijn strafzaak, wat de rechtbank op zichzelf begrijpelijk en ook aangewezen acht, gaat de minister er terecht van uit dat eiser vanaf april 2023 naar Nederland kon terugkeren, althans daartoe aantoonbare pogingen kon doen.
Duidelijk is dat eiser vanaf medio 2017 zijn hoofdverblijf in Turkije had en zijn leven daar, bijvoorbeeld door daar opnieuw te huwen, vorm heeft gegeven. Eiser is op 20 april 2017 ook uitgeschreven uit de BRP. Dit verblijf buiten Nederland heeft de minister niet verschoonbaar hoeven achten alleen al omdat eiser ook nadat hij kon terugkeren naar Nederland, dat niet zo snel mogelijk (zelfs niet binnen zes maanden) heeft gedaan. Partijen gaan ervan uit dat met de uitspraak in cassatie op 25 april 2023, ook het eind 2011 opgelegde Turkse uitreisverbod is opgeheven. Daarbij wil de rechtbank – net als de minister – niet onopgemerkt laten dat eiser in hoger beroep op 11 maart 2021 is vrijgesproken en het eiser was die cassatie heeft ingesteld vanwege (proces)kosten die hij vergoed wilde zien. In plaats van op dat moment alles in het werk te stellen om terug te kunnen keren naar Nederland, heeft hij er dus voor gekozen om de juridische procedure in Turkije om financiële redenen voort te zetten. Los daarvan had eiser vanaf 25 april 2023, maar in ieder geval vanaf het moment dat hij op 14 juli 2023 in het bezit werd gesteld van een nieuw Turks paspoort, stappen kunnen ondernemen om een terugkeer naar Nederland te realiseren. De eerste aantoonbare stap die eiser daartoe zet, is zijn visumaanvraag op 5 februari 2024, meer dan negen maanden na de opheffing van het uitreisverbod en meer dan zesenhalve maand na de afgifte van het nieuwe Turkse paspoort. Niet is gebleken dat zich in periode gelegen tussen 25 april 2023 dan wel 14 juli 2023 en 5 februari 2024 omstandigheden voordeden waardoor eiser buiten zijn schuld om niet naar Nederland kon terugkeren, of een poging daartoe kon doen. In de verklaring van eiser dat hij op aanraden van zijn Turkse advocaat eerst een reis naar noord-Cyprus heeft gemaakt, om te verifiëren of hij Turkije daadwerkelijk kon uitreizen, heeft de minister geen goede reden hoeven zien om hem die periode van verblijf buiten Nederland niet tegen te werpen. Niet valt in te zien waarom eiser dat moest testen via een reis naar noord-Cyprus en dat niet kon via een reis naar Nederland. Ook verklaart dat niet dat eiser zich niet eerder dan 5 februari 2024 tot de Nederlandse ambassade in Turkije heeft gewend. Dat het een en ander tijd kostte vanwege het moeten maken van de benodigde afspraken, maakt dat niet anders. Andere verklaringen voor het feit dat eiser tot 5 februari 2024 heeft gewacht met het indienen van een visumaanvraag, geeft eiser niet. De minister heeft verder terecht gewezen op omstandigheden die erop wijzen dat eiser in Turkije (weer) een leven heeft opgebouwd. Gelet op het voorgaande heeft de minister aannemelijk gemaakt dat zich de intrekkingsgrond voordoet dat eiser niet langer voldoet aan de voorwaarden waaronder de verblijfsvergunning aan hem is verleend, namelijk de voorwaarde dat hij zijn hoofdverblijf in Nederland heeft. Eiser is er niet in geslaagd om het door de minister geleverde bewijs te weerleggen.
9. De intrekking van eisers verblijfsvergunning is volgens de minister niet in strijd met artikel 8 vanPro het EVRM. Eiser heeft geen beschermenswaardig familieleven in Nederland. Met zijn meerderjarige kinderen kan eiser het contact onderhouden op de manier waarop hij dat sinds zijn vertrek uit Nederland in 2017 heeft gedaan, aldus de minister.
Betoog van eiser
10. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende deugdelijk motiveert dat het bestreden besluit niet in strijd is met het door artikel 8 vanPro het EVRM beschermde recht op respect voor familie-, gezins- en privéleven. Daartoe voert eiser aan dat de minister zich onvoldoende deugdelijk gemotiveerd op het standpunt stelt dat geen sprake is van beschermenswaardig familieleven als bedoeld in artikel 8 vanPro het EVRM tussen hem en zijn twee in Nederland geboren, opgegroeide en woonachtige kinderen. Dat zijn kinderen meerderjarig zijn, betekent volgens eiser niet dat het familieleven ontbreekt. Eiser verwijst naar de beschikking van de Rechtbank Gelderland van 9 maart 2015 en het ouderschapsplan dat daarvan onderdeel uitmaakt, waarin gezamenlijk gezag en een structurele omgangsregeling is vastgelegd. Eiser heeft zijn vaderrol structureel vervuld en ook na 2017 het contact met zijn kinderen voortgezet. In dit verband overlegt hij een aantal foto’s en verklaringen van zijn kinderen. Ook wijst eiser erop dat het huwelijk dat in Turkije is gesloten, inmiddels is ontbonden. Verder voert eiser aan dat de minister ten onrechte geen kenbare en volledige belangenafweging/proportionaliteitstoets heeft verricht, als bedoeld in het tweede lid van artikel 8 vanPro het EVRM. De minister heeft volstaan met de overweging dat de kinderen inmiddels meerderjarig zijn en het contact via digitale weg onderhouden kan worden. Het bestaan van digitale communicatiemiddelen kan volgens eiser, zonder nadere motivering, echter niet dienen als rechtvaardiging voor een ingrijpende inmenging in het bestaande familieleven. Verder zijn de ouderlijke rol, de intensiteit van het contact met zijn kinderen, de betekenis van de fysieke aanwezigheid van eiser voor zijn kinderen, het ontbreken van banden van de kinderen met Turkije en de gevolgen voor het familieleven van de definitieve beëindiging van eisers verblijf volgens eiser ten onrechte niet kenbaar bij de belangenoverweging betrokken. De justitiële antecedenten rechtvaardigen in zijn geval niet de intrekking van zijn verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, aldus eiser.
Toetsingskader
11. Uit vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat de vraag of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, een vraag is van feitelijke aard en dat de beantwoording daarvan afhankelijk is van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. [14] Het EHRM heeft in verschillende arresten factoren aangewezen die relevant kunnen zijn bij de vraag of hiervan sprake is. [15]
Oordeel van de rechtbank
12. Deze beroepsgrond slaagt niet. Hoewel het eiser kan worden toegegeven dat de besluitvorming op dit punt niet uitblinkt in duidelijkheid, leidt de rechtbank uit het verweerschrift en de toelichting op de zitting af dat de minister heeft bedoeld daarin het standpunt in te nemen dat niet is gebleken dat tussen eiser en zijn kinderen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, zijnde de voorwaarde om tussen ouders en hun meerderjarige kinderen te spreken van beschermenswaardig familie- of gezinsleven. Ondanks dat de bewoordingen van de minister hier en daar lijken te duiden op een belangenafweging, valt het hiervoor bedoelde standpunt genoegzaam uit de bestreden besluitvorming op te maken. In de besluitvormingsfase wijst eiser er in dit verband alleen op dat zijn kinderen in Nederland woonachtig zijn. In beroep werkt eiser dit nader uit. In het verweerschrift licht de minister in reactie daarop zijn standpunt nader toe. De rechtbank is van oordeel dat de minister daarmee zijn standpunt dat van bijkomende elementen van afhankelijkheid niet is gebleken, voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd en daarbij ook voldoende is ingegaan op wat eiser hierover in beroep nader heeft aangevoerd. De minister heeft van belang mogen achten dat eiser en zijn kinderen al geruime tijd niet woonachtig zijn in hetzelfde land, zodat ervan kan worden uitgegaan dat het contact tussen hen sinds medio 2017 hoofdzakelijk digitaal verloopt. Verder heeft de minister in dit verband mogen wijzen op het ouderschapsplan waaruit blijkt dat de kinderen hun hoofdverblijf bij hun moeder hadden en flexibel omgang hadden met eiser en is niet gebleken van intensief contact tussen eiser en zijn kinderen. De minister overweegt niet ten onrechte dat wanneer daarvan wel sprake zou zijn, dit contact onderhouden kan worden op de manier waarop zij dat sinds medio 2017 doen. Verder constateert en betrekt de minister terecht dat niet is onderbouwd wat de fysieke aanwezigheid van eiser betekent voor zijn kinderen en wat de gevolgen zijn voor zijn kinderen van een definitieve beëindiging van zijn verblijf in Nederland. Ook wijst de minister er terecht op dat eisers kinderen wonen en werken in Nederland en zij hier een leven hebben opgebouwd.
12.1.
In het geval niet is gebleken van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 vanPro het EVRM en de minister bij die beoordeling alle relevante individuele aspecten heeft betrokken, zoals hier, hoeft de minister geen belangenafweging te verrichten. [16] Dat wat eiser aanvoert over de belangenafweging, behoeft dan ook geen bespreking.
Hoorplicht
Standpunt van de minister
13. De minister heeft het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard en eiser niet gehoord over zijn bezwaarschrift omdat uit de beoordeling van dat wat eiser in bezwaar naar voren heeft gebracht direct bleek dat het niet tot een ander standpunt zou leiden dan ingenomen in het primaire besluit. Eiser heeft slechts summier gewezen op persoonlijke belangen en omstandigheden en over de verplaatsing van het hoofdverblijf van eiser bestond voldoende duidelijkheid. De minister verwijst naar de artikelen 7:2 en 7:3 van de Awb.
Betoog van eiser
14. Eiser betoogt dat de minister het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid door hem niet te horen in bezwaar en daarmee heeft gehandeld in strijd met de artikelen 3:2 en 7:2 van de Awb. Daarbij wijst eiser erop dat hij in bezwaar meerdere inhoudelijke en juridisch complexe geschilpunten aan de orde heeft gesteld die een inhoudelijke beoordeling en nadere feitelijke duiding vereisten. Van een situatie dat geen twijfel mogelijk was over de uitkomst van het bezwaar was dan ook geen sprake. Horen had de minister in staat gesteld om een nadere toelichting te verkrijgen op de intentie van eiser bij zijn vertrek uit Nederland en terugkeer naar Turkije, om het arbeidsverleden van eiser te bespreken, om eiser te bevragen over het de feitelijke uitoefening van het familieleven en om een zorgvuldige proportionaliteitsafweging te maken. Horen in bezwaar lag, mede gelet op de aard van de zaak, in de rede, aldus eiser.
Toetsingskader
15. Artikel 7:2 vanPro de Awb bepaalt dat een bestuursorgaan belanghebbenden in de gelegenheid moet stellen om te worden gehoord voordat op het bezwaar wordt beslist. Van het horen kan alleen om redenen genoemd in artikel 7:3 vanPro de Awb worden afgezien. Eén van die redenen is als er sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar.
15.1.
Op 6 juli 2022 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) een uitspraak gedaan over de hoorplicht in vreemdelingenzaken. [17] Volgens de Afdeling is sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het aangevoerde in bezwaar niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is opgenomen. Uit de uitspraak blijkt verder dat als uitgangspunt geldt dat een vreemdeling in bezwaar moet worden gehoord en dat de gronden waarop van horen kan worden afgezien, terughoudend moeten worden toegepast. De vraag of de minister toch van een gehoor af kan zien, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.
Oordeel van de rechtbank
16. Deze beroepsgrond slaagt. De minister heeft eiser ten onrechte niet gehoord in bezwaar. Zoals uit de rechtspraak volgt en ook in werkinstructie 2022/20 [18] staat beschreven, is de hoofdregel dat het bestuursorgaan belanghebbenden in de gelegenheid stelt het bezwaarschrift mondeling toe te lichten tijdens een hoorzitting. Zeker in de concrete omstandigheden van dit geval, waar de minister een voor eiser belastend besluit neemt, waarbij de feiten en omstandigheden van het geval op meerdere besluitonderdelen van belang zijn en die mogelijk niet compleet in beeld waren en/of verduidelijking nodig hadden, sprake is van iemand die lange tijd rechtmatig in Nederland heeft verbleven en er bovendien in Nederland woonachtige kinderen in het spel zijn, had de minister aanleiding moeten zien om eiser te horen in bezwaar. De minister heeft eiser voorafgaand aan de intrekking weliswaar in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen, maar dit vervangt de hoorplicht niet. Bij het voorgaande komt nog dat eiser heeft verzocht om een hoorzitting. Het bestreden besluit kent daarmee een gebrek. Het is genomen in strijd met artikel 3:2 vanPro de Awb. Dat betekent dat het beroep gegrond is.
16.1.
Omdat niet is gebleken dat eiser in de beroepsfase niet naar voren heeft kunnen brengen wat hij wilde en de minister daarover – waar nodig – een standpunt heeft ingenomen, gaat de rechtbank ervan uit dat alles wat relevant is voor deze zaak, is besproken. De rechtbank bepaalt daarom dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.
Conclusie en gevolgen
17. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd omdat de minister eiser in bezwaar ten onrechte niet heeft gehoord. Wel laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand. Dat betekent dat de intrekking van eisers verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd blijft staan.
17.1.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 934 per punt en een wegingsfactor 1). Ook moet de minister het betaalde griffierecht vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand;
veroordeelt de minister tot betaling aan eiser van een bedrag van € 1868 aan proceskosten;
bepaalt dat de minister aan eiser het griffierecht ter hoogte van € 194 vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, voorzitter, en mr. G.A. van der Straaten, en mr. H. van Eijken, leden, in aanwezigheid van mr. G.T.J. Kouwenberg, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Hierover loopt een beroepsprocedure met zaaknummer NL25.8289.
2.De minister verwijst naar artikel 22, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
4.Eiser verwijst naar artikel 22, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 en de paragrafen B12/2.5, B1/6.2.1 en B10/4.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
5.Bij Besluit 64/732/EEG van 23 december 1963 (PB 1964, 217) heeft de Raad van de Europese Economische Gemeenschap de overeenkomst van associatie tussen de Gemeenschap en de Republiek Turkije goedgekeurd en bevestigd. Op 19 september 1980 heeft de Associatieraad EEG-Turkije ‘Besluit nr. 1/80’ genomen over de ontwikkeling van de Associatie met Turkije.
6.Eiser verwijst naar artikel 3:2 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
8.De minister verwijst naar artikel 22, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 en paragraaf B12/2.5 gelezen in samenhang met paragraaf B1/6.2.1 van de Vc 2000.
9.De minister verwijst naar HvJEU 18 december 2008, ECLI:EU:C:2008:744 (Altun) en ABRvS 20 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1194. En naar paragraaf B10/4.4.1 van de Vc 2000.
12.Zie ook HvJEU 18 december 2008, ECLI:EU:C:2008:744 (Altun) en ABRvS 20 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1194.
13.Zie de in voetnoot 12 genoemde uitspraak van de ABRvS van 20 maart 2025, overweging 3.
14.EHRM 17 april 2012, Kopf en Liberda tegen Oostenrijk, ECLI:CE:ECHR:2012:0117JUD000159806.
15.EHRM 9 oktober 2003, Slivenko tegen Letland, ECLI:CE:ECHR:2003:1009JUD004832199, 97 en EHRM 18 november 2014, Senchishak tegen Finland, ECLI:CE:ECHR:2014:1118JUD000504912, onder 55-57, EHRM 20 september 2011, A.A. tegen Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2011:0920JUD000800008, EHRM 10 oktober 1994, Gül tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:1994:1010DEC002321894, EHRM 28 juni 1995, Jankovic tegen Oostenrijk, ECLI:CE:ECHR:1995:0628DEC002577794, EHRM 7 november 2000, Kwakye-Nti en Dufie tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2000:1107DEC003151996.