ECLI:NL:RVS:2022:2984
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking verblijfsvergunning en ongewenstverklaring wegens onvoldoende motivering hoofdverblijf buiten Nederland
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid trok op 9 oktober 2019 de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd van de vreemdeling in en verklaarde hem ongewenst vanwege ernstige veroordelingen in Nederland en België. De vreemdeling, geboren in Nederland en met Marokkaanse nationaliteit, verbleef rechtmatig sinds zijn geboorte en had sinds 2001 een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. De intrekking werd gebaseerd op meerdere ernstige veroordelingen, waaronder geweldsdelicten.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, omdat de staatssecretaris ten onrechte de verblijfsvergunning had ingetrokken en de vreemdeling ongewenst had verklaard. De staatssecretaris stelde hoger beroep in, maar dit werd ongegrond verklaard. De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris terecht geen taakstraf kon toepassen vanwege de ernst van de veroordelingen, maar dat uit het Belgische vonnis niet bleek dat er een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van slachtoffers was geweest.
Verder oordeelde de Afdeling dat de staatssecretaris het besluit van 30 maart 2021, waarin de intrekking van de verblijfsvergunning werd gehandhaafd op grond van verplaatsing hoofdverblijf naar België, onvoldoende had gemotiveerd. Het enkele feit dat de vreemdeling meer dan zes maanden buiten Nederland verbleef vanwege detentie, was onvoldoende om te concluderen dat hij zijn hoofdverblijf had verplaatst. De Afdeling vernietigde daarom dit besluit en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning en de ongewenstverklaring wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van de verplaatsing van het hoofdverblijf.