Overwegingen
1. Eiser heeft op 25 maart 2021 op aangifte een bedrag van € 5.633 aan Bpm voldaan voor de registratie van een Mercedes-Benz S-klasse 350d 4Matic (de auto). De datum van eerste toelating van de auto is 10 juni 2020.
2. In de aangifte is de te betalen belasting voor de auto berekend op basis van een taxatierapport van Automobiel Taxaties B.V. (het taxatierapport). De taxatie van de auto heeft op 22 maart 2021 plaatsgevonden en het taxatierapport is op 23 maart 2021 opgesteld. In het taxatierapport is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 157.295 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 68.095. De taxateur heeft een bedrag van € 34.793,27 aan reparatiekosten gecalculeerd en een bedrag van in totaal € 34.643 (€ 25.051 (72% van de gecalculeerde reparatiekosten) + € 9.592 niet nader gespecificeerde waardevermindering) als schade aangemerkt en de handelsinkoopwaarde na schade op € 33.452 vastgesteld.
3. De auto is op 23 maart 2021 door de RDW gekeurd. Hierbij is de CO2-uitstoot vastgesteld op 165 gr/km NEDC en 195 gr/km WLTP.
4. Eiser heeft op 1 april 2021 de auto voor controle getoond aan Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Van de controle is een rapport van 7 april 2021 opgemaakt. In dit rapport is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 152.424, de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 68.675 (koerslijst X-ray), en is een bedrag van € 3.552 aan schade aannemelijk geacht. Van dit schadebedrag is € 2.557 (72%) in aanmerking genomen, waardoor de handelsinkoopwaarde na schade is bepaald op € 66.118.
5. Verweerder heeft met dagtekening 18 november 2022 een bedrag van € 5.914
(€ 11.547 verschuldigde Bpm -/- € 5.633 voldane Bpm) nageheven. Verweerder is daarbij, in afwijking van DRZ, uitgegaan van een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 68.932 (koerslijst X-ray (marge)) en heeft het door DRZ in aanmerking genomen bedrag van € 70 (exclusief btw) aan kosten van uitlijning niet als schade aangemerkt. Verweerder heeft het bedrag aan schade op € 3.467 vastgesteld. Verder is verweerder uitgegaan van een handelsinkoopwaarde na schade van € 66.435 (€ 68.932 -/- € 2.497 (72% x € 3.467).
Geschil6. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd.
Meer specifiek is in geschil:
- of de naheffingsaanslag in strijd met het vertrouwensbeginsel is opgelegd;
- of het taxatierapport van eiser terecht van bewijs is uitgesloten;
- of de historische nieuwprijs tot het juiste bedrag is vastgesteld;
- of eiser op grond van artikel 8:45 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de inkoopfactuur, factuuronderdelen dan wel betalingsbewijzen van de auto moet overleggen?
- of eiser in aanmerking komt voor een vergoeding van immateriële schade.
Beoordeling van het geschil
7. Eiser stelt dat door het tijdsverloop tussen de hertaxatie bij DRZ en het opleggen van de naheffingsaanslag, te weten ruim anderhalf jaar, verweerder het vertrouwen heeft gewekt dat zijn aangifte voor de auto zou worden gevolgd. De naheffingsaanslag moet daarom worden vernietigd, aldus eiser.
8. Het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel faalt. Gesteld noch gebleken is dat verweerder expliciete uitlatingen heeft gedaan op grond waarvan eiser erop mocht vertrouwen dat zijn aangifte zou worden gevolgd. Dat verweerder dit impliciet kenbaar heeft gemaakt, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. Het enkele feit dat verweerder met het DRZ rapport over alle informatie beschikte, die aan de naheffingsaanslag ten grondslag ligt, en hij de naheffingsaanslag wellicht eerder had kunnen opleggen, is daarvoor onvoldoende. Op grond van artikel 20 van de Algemene wet rijksbelastingen vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van een naheffingsaanslag immers pas door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Verweerder heeft ruim binnen deze wettelijke termijn de naheffingsaanslag opgelegd. De arresten van de Hoge Raadwaarnaar eiser in zijn beroepschrift heeft verwezen, leiden niet tot een ander oordeel, omdat daarin juist wel aannemelijk was gemaakt dat sprake was van een impliciete standpuntbepaling waaraan de belanghebbende vertrouwen kon ontlenen. Ook in de door eiser ter zitting aangedragen uitspraak van rechtbank Zeeland-West Brabant van
20 december 2024ziet de rechtbank geen aanleiding om in dit geval anders te oordelen, nu die zaak een andere feitelijke situatie betreft.
9. Eiser heeft aangevoerd dat de taxateur van DRZ niet deskundig is. Het staat verweerder vrij om een deskundige naar eigen keuze in te schakelen. Het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 staat daar niet aan in de weg, omdat dit betrekking heeft op de door de belastingplichtige in te schakelen taxateur. In het kader van deze procedure beschouwt de rechtbank de taxateur van DRZ als een partijdeskundige, omdat hij door verweerder is aangezocht om een oordeel te geven over de waarde van de auto. De rechtbank heeft, afgaande op de inhoud van het DRZ-rapport en de daarop gegeven toelichting, geen reden aan de deskundigheid of de onafhankelijkheid van de (her)taxateur te twijfelen.
10. De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiser gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van de auto, rust op eiser.Hij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte. Gelet op de door verweerder aangedragen formele- en materiële gebreken van het taxatierapport kan het taxatierapport van eiser niet dienen voor de vaststelling van de verschuldigde Bpm. Daarbij acht de rechtbank met name van belang dat in het taxatierapport wordt vermeld dat de motor dient te worden vervangen, terwijl de auto rijdend naar de schouw bij DRZ is gekomen en tussen de datum van het taxatierapport en de schouw bij DRZ 1.295 km met de auto is gereden. Verder is zonder nadere toelichting een bedrag van € 9.592 als schade in mindering is gebracht. Ook is niet duidelijk hoe er in het taxatierapport is omgegaan met (normale) gebruikersschade. Daar komt bij dat veel van de schadeposten in het taxatierapport niet door DRZ zijn waargenomen; de auto verkeerde op het moment van schouw door DRZ kennelijk niet meer in dezelfde staat als ten tijde van de opname door de taxateur van eiser. Daarnaast heeft de taxateur in een zeer kort tijdsbestek (15 minuten) 50 foto’s gemaakt en de algemene indruk, de technische staat, het onderstel, interieur, carrosserie en banden beoordeeld en daarbij een schade van € 34.793,27 vastgesteld. Bovendien zijn bepaalde kosten, waaronder de kosten van een onderhoudsbeurt, interieur reiniging, alarmklasse IV en softwarenavigatie, ten onrechte aangemerkt als schade. Tot slot merkt de rechtbank op dat eiser geen inkoopfactuur van de auto heeft ingebracht. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de reële waardedaling van de auto en dus ook de vermindering van de Bpm niet kunnen worden vastgesteld op basis van het taxatierapport.
11. Nu eiser zich niet op het taxatierapport kan beroepen, heeft eiser daarmee ook niet aannemelijk gemaakt dat de auto ten tijde van het doen van aangifte meer schade had dan door verweerder is onderkend. Dat binnen de branche beleid is ontwikkeld over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade en dat één of meer van de volgens dat beleid geldende schade zich voordoet bij de auto, kan niet tot een ander oordeel leiden. Verweerder noch DRZ is gebonden aan beleid dat binnen de branche zou zijn ontwikkeld. In de verwijzing naar dat beleid ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding voor de conclusie dat verweerder of DRZ te weinig schade in aanmerking heeft genomen.
12. Eiser stelt dat de historische nieuwprijs van de auto € 153.185 (in plaats van
13. Zo al van de door eiser bepleite hogere historische nieuwprijs zou moeten worden uitgegaan, dan leidt dit niet tot een vermindering van de naheffingsaanslag. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt in dat geval het beroep van verweerder op interne compensatie. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verweerder onweersproken heeft gesteld dat de auto over meer opties beschikt dan waar in de door DRZ gebruikte koerslijst van uit is gegaan en dat DRZ ten onrechte rekening een bedrag van € 750 voor het “klasse 3 alarmsysteem inbouwen inclusief certificaat” als schade in aanmerking heeft genomen. Dit brengt mee dat verweerder bij het opleggen van de naheffingsaanslag is uitgegaan van een te lage handelsinkoopwaarde en dat de naheffingsaanslag, ook indien van een historische nieuwprijs van € 153.185 wordt uitgegaan, niet te hoog is vastgesteld.
14. Eiser heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de rentebeschikking. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht belastingrente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.
15. Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Verzoek artikel 8:45 van de Awb
16. Nu naar het oordeel van de rechtbank in dit geval het beroep ongegrond moet worden verklaard, bestaat er geen aanleiding om op grond van artikel 8:45 van de Awb de inkoopfactuur, factuuronderdelen dan wel betalingsbewijzen van de auto bij eiser op te vragen. De rechtbank wijst daarom het verzoek van verweerder om toepassing van artikel 8:45 van de Awb af.
17. Eiser heeft in zijn beroepschrift van 24 oktober 2023 verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag op 30 november 2022 ontvangen. De rechtbank doet op 3 november 2025 uitspraak. De redelijke termijn is derhalve overschreden met ongeveer elf maanden. Aangezien verweerder op 12 oktober 2023 uitspraak op bezwaar heeft gedaan, is de termijnoverschrijding voor 5/11e deel, ofwel € 455, toe te rekenen aan verweerder en voor 6/11e deel, ofwel € 545, aan de Staat.
18. De rechtbank ziet in de overschrijding van de redelijke termijn reden om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op (afgerond) € 227 (1 procespunt voor het verzoek om vergoeding van immateriële schade met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 0,25).Nu de overschrijding van de redelijke beslistermijn aan zowel verweerder als de rechtbank is toe te rekenen, dienen de proceskosten door verweerder en de Staat ieder voor de helft te worden voldaan.
19. Eiser heeft reeds vóór het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Nu de redelijke termijn voor bezwaar en beroep op de datum van dat arrest nog niet was overschreden, ziet de rechtbank geen aanleiding om het betaalde griffierecht aan eiser te laten vergoeden.