ECLI:NL:RBDHA:2025:16408
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduring maatregel bewaring en verzoek schadevergoeding in vreemdelingenrechtelijke zaak
De minister van Asiel en Migratie heeft op 31 mei 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser, een Algerijnse vreemdeling, die nog voortduurt. De rechtbank heeft eerder op 18 juni 2025 geoordeeld dat de bewaring tot dat moment rechtmatig was. In deze procedure stond de rechtmatigheid van de voortzetting van de bewaring na 13 juni 2025 centraal.
Eiser stelde dat hij volledig meewerkt en dat een lichter middel passend zou zijn, mede vanwege zijn medische problematiek en het zware verblijf in het detentiecentrum. Ook voerde hij aan dat de minister onvoldoende voortvarend was bij zijn uitzetting. De rechtbank oordeelde dat er sprake is van een onttrekkingsrisico en dat een lichter middel niet volstaat. De stelling dat eiser een brief aan de Algerijnse ambassade heeft gestuurd werd niet aannemelijk geacht. Bovendien verklaarde eiser tijdens een vertrekgesprek niet naar Algerije te willen terugkeren.
De rechtbank achtte de voortgang van de uitzetting voldoende, gelet op meerdere rappels bij de Algerijnse autoriteiten en vertrekgesprekken. Er is zicht op uitzetting, mede gebaseerd op uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Eiser voldoet niet aan zijn medewerkingsplicht, wat ook het voortduren van de bewaring rechtvaardigt.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel bewaring rechtmatig is gebleven en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de maatregel bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.