ECLI:NL:RBDHA:2025:19952
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren maatregel bewaring vreemdeling en voortvarendheid uitzetting
De minister legde op 31 mei 2025 aan eiser, een Algerijnse vreemdeling, een maatregel van bewaring op. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank had deze maatregel al tweemaal eerder getoetst en oordeelde toen dat de bewaring rechtmatig was tot het sluiten van het vorige onderzoek op 29 augustus 2025.
In de huidige procedure stond alleen de rechtmatigheid van de voortzetting van de bewaring sinds dat moment centraal. Eiser stelde dat de minister onvoldoende voortvarend was in de uitzetting, dat hij volledig meewerkt en dat de bewaring hem zwaar valt, zodat een lichter middel passend zou zijn. De rechtbank concludeerde op basis van de voortgangsrapportage dat de minister driemaal rappelleerde bij de Algerijnse autoriteiten en meerdere vertrekgesprekken voerde, wat voldoende voortvarendheid toont.
De rechtbank oordeelde verder dat er zicht is op uitzetting naar Algerije, mede gelet op eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak. Eiser gaf onvoldoende invulling aan zijn verplichting tot medewerking, onder meer door aan te geven alleen naar Italië te willen vertrekken. De stelling dat de bewaring zwaar valt was onvoldoende onderbouwd om een lichter middel te rechtvaardigen.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.