ECLI:NL:RBDHA:2025:14062

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 juli 2025
Publicatiedatum
30 juli 2025
Zaaknummer
NL25.10772
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMParagraaf C7/13.8 Vc 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing opvolgende asielaanvraag Eritrese vrouw wegens ongeloofwaardige illegale uitreis en militaire dienstplicht

Eiseres, afkomstig uit Eritrea, diende een opvolgende asielaanvraag in nadat haar eerste aanvraag was afgewezen. Zij vreesde vervolging vanwege illegale uitreis en militaire dienstplicht. De minister wees de aanvraag af wegens ongeloofwaardigheid van deze motieven.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht uitging van het eerdere oordeel dat eiseres Eritrea voor 1993 verliet, waardoor haar vertrek gelijkgesteld wordt met een legale uitreis. Eiseres slaagde er niet in aannemelijk te maken dat zij niet over benodigde documenten beschikt of dat haar een illegale uitreis zal worden toegedicht.

Ook de vrees voor militaire dienstplicht werd verworpen omdat eiseres niet dienstplichtig is en nooit is geweest. Het verzoek tot aanhouding wegens een mogelijk nieuw ambtsbericht werd afgewezen. De rechtbank concludeert dat de minister de aanvraag terecht als kennelijk ongegrond heeft afgewezen en verklaart het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.10772

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2025 in de zaak tussen

[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. L.I. Siers),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.S. Helmus).

Inleiding en samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag van eiseres. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de verklaringen van eiseres over de asielmotieven illegale uitreis en militaire dienstplicht niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Hij heeft deze conclusie ook deugdelijk gemotiveerd. De minister hoeft niet in het terugkeerbesluit op te nemen dat eiseres niet gedwongen zal worden uitgezet. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3, 4 en 5 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Aan het eind onder 9 staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Bij besluit van 27 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de opvolgende aanvraag van eiseres voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. In het bestreden besluit is verwezen naar een terugkeerbesluit dat aan eiseres is opgelegd bij besluit van 16 augustus 2019. Omdat eiseres niet heeft voldaan aan de daarin opgenomen vertrektermijn is in het bestreden besluit bepaald dat eiseres Nederland onmiddellijk moet verlaten. Ook is aan eiseres een inreisverbod opgelegd voor de duur van 2 jaar.
2.1.
Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 26 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

De eerste asielaanvraag (eerste procedure)
3. Eiseres heeft aan haar eerste asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij uit Eritrea komt en in 1992, dus voor de onafhankelijkheid van dat land, is gevlucht naar het huidige Ethiopië. In 1994 is zij naar Saoedi-Arabië vertrokken. Zij heeft daar ruim twintig jaar gewerkt tot zij naar Nederland is gevlucht. Bij terugkeer vreest zij onder andere in militaire dienst te moeten. Bovendien vreest ze voor vervolging door de autoriteiten, omdat ze Eritrea destijds illegaal heeft verlaten. Haar eerste asielaanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond. De minister heeft de nationaliteit van eiseres geloofwaardig geacht, maar haar identiteit ongeloofwaardig. Ook haar verklaringen over haar problemen in Eritrea, haar vrees om te worden opgeroepen voor militaire dienst en de illegale uitreis achtte de minister ongeloofwaardig. Eiseres heeft tegen de afwijzing beroep ingesteld. Deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, heeft dat beroep op 7 oktober 2019 gegrond verklaard. [1] De minister heeft hoger beroep ingesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft dat hoger beroep op 13 februari 2020 gegrond verklaard. [2] Daarmee staat de afwijzing van de eerste asielaanvraag van eiseres in rechte vast.
De huidige aanvraag
4. Eiseres heeft op 3 april 2023 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Zij heeft een nationaliteitsverklaring overgelegd en stelt dat zij daarmee haar identiteit alsnog aannemelijk heeft gemaakt. Eiseres betoogt dat hierdoor het oordeel in de eerste procedure wijzigt. Het standpunt dat niet kan worden vastgesteld dat eiseres Eritrea illegaal heeft verlaten omdat haar identiteit niet vaststaat is dan niet langer houdbaar. Ook is ten onrechte niet betrokken dat uit de verklaringen van eiseres volgt dat zij destijds wel illegaal is vertrokken uit Ethiopië.
4.1.
Eiseres legt aan haar aanvraag ten grondslag dat zij bij terugkeer naar Eritrea wordt blootgesteld aan ernstige schade omdat zij dat land illegaal is uitgereisd en haar bij terugkeer een illegaal vertrek zal worden toegedicht. Zij verwijst naar het Algemeen Ambtsbericht Eritrea van mei 2022 (Ambtsbericht 2022) en een tweetal uitspraken van de Afdeling van 20 juli 2022. [3] Er is veel willekeur in Eritrea en eiseres kan haar vertrek in 1992 niet onderbouwen. Zij beschikt niet over de vereiste documenten. Daarnaast vreest eiseres voor ernstige schade omdat zij een reëel risico loopt om te worden opgeroepen voor de militaire dienstplicht en/of dat zij een militaire training moet volgen. Uit het Ambtsbericht 2022 blijkt dat zij in de dienstplichtige leeftijd valt en dat sinds het conflict om Tigray steeds oudere personen worden opgeroepen voor de dienstplicht. Dat personen die langdurig buiten Eritrea verbleven en in de dienstplichtige leeftijd vallen alsnog worden opgeroepen blijkt uit de uitspraken van de Afdeling van 20 juli 2022.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
  • identiteit, nationaliteit en herkomst
  • illegale uitreis
  • militaire dienstplicht
5.1.
De minister heeft de asielmotieven inhoudelijk beoordeeld en stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en de herkomst van eiseres geloofwaardig zijn. De andere twee asielmotieven gelooft de minister niet. De geloofwaardigheid van de identiteit van eiseres leidt, aldus de minister, niet tot de conclusie dat de verklaringen van eiseres over de gestelde illegale uitreis en de vrees voor militaire dienstplicht (alsnog) geloofwaardig worden geacht. De verklaringen van eiseres over haar illegale uitreis zijn betrokken in het oordeel over haar eerste asielaanvraag. Ook hetgeen eiseres verder heeft aangevoerd leidt niet tot een andere conclusie over haar asielmotieven. De minister wijst de aanvraag dan ook af als kennelijk ongegrond.
Heeft de minister het relaas van eiseres over haar illegale uitreis ten onrechte ongeloofwaardig geacht?
6. Eiseres betoogt primair dat de minister haar illegale uitreis ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Daartoe voert zij aan dat de minister niet mag uitgaan van het oordeel van de Afdeling over haar illegale uitreis in de eerste procedure omdat dat is gebaseerd op het onjuiste uitgangspunt dat de identiteit van eiseres ongeloofwaardig is. Ook stelt de minister ten onrechte dat de Afdeling de verklaringen van eiseres over haar illegale uitreis heeft betrokken in haar oordeel. Dat is niet het geval. De Afdeling heeft immers de gevolgen van illegaal vertrek uit Eritrea beoordeeld en niet uit Ethiopië (Eritrea bestond toen nog niet). De minister kan dus niet zomaar verwijzen naar de uitspraak van de Afdeling in de eerdere procedure.
Subsidiair betoogt eiseres dat zij reëel risico loopt op ernstige schade omdat de autoriteiten haar bij terugkeer een illegale uitreis zullen toedichten. Zij voert daartoe aan dat zij niet kan aantonen dat zij legaal is uitgereisd. Er zal worden verwacht dat zij een uitreisvisum of een uitreisstempel kan tonen en die heeft zij niet. Ook zal zij een ‘regret form’ moeten overleggen en er kan niet van haar worden verwacht dat zij die ondertekent. Dat eiseres het risico loopt dat haar een illegale uitreis wordt toegedicht als zij deze documenten niet kan tonen blijkt uit de brief van VluchtelingenWerk Nederland en het bericht van EASO [4] . Eiseres beschikt ook niet over overige documenten die zij nodig heeft voor een terugkeer naar Eritrea, zoals een geldig paspoort. Dat hebben de autoriteiten haar niet verstrekt. Eiseres betoogt dat niet van haar kan worden verwacht dat zij tijdens de asielprocedure contact opneemt met de autoriteiten om documenten [5] voor haar vertrek te regelen. Dit blijkt uit een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht. [6]
Ook zijn op eiseres relevante factoren van toepassing die het risico bij terugkeer vergroten (risicofactoren). Dat blijkt uit het Algemeen Ambtsbericht Eritrea van december 2023 (Ambtsbericht 2023). De volgende risicofactoren zijn van toepassing:
  • illegale uitreis uit Ethiopië en mogelijk toegedichte illegale uitreis uit Eritrea,
  • dienstplicht niet vervuld,
  • gedwongen terugkeer,
  • diasporabelasting niet betaald,
  • permanente terugkeer,
  • willekeur.
Deze risicofactoren hadden in onderlinge samenhang betrokken moeten worden in de besluitvorming en dat is niet gebeurd. De minister heeft niet deugdelijk gemotiveerd dat eiseres bij terugkeer geen (reëel) risico loopt op vervolging danwel ernstige schade.
6.1.
De minister volgt niet het primaire betoog van eiseres en stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van illegale uitreis. Hiertoe verwijst hij allereerst naar de uitspraak van de Afdeling in de eerste procedure. Het feit dat de identiteit van eiseres in de huidige procedure wel geloofwaardig wordt bevonden maakt de conclusies in de eerste procedure niet anders. Het belangrijkste argument voor het oordeel van de Afdeling is de verklaring van eiseres dat zij Eritrea voor 1993 is uitgereisd en niet het feit dat haar identiteit niet werd gevolgd. De verwijzing naar relevante (nieuwe) jurisprudentie, het beleid en de landeninformatie verandert dit oordeel volgens de minister niet. Ook hetgeen eiseres subsidiair betoogt volgt de minister niet. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar een illegale uitreis zal worden toegedicht en zij daarom een reëel risico loopt op ernstige schade. Ook is niet gebleken dat eiseres de voor haar uitreis benodigde documenten niet kan verkrijgen. Verder zijn de door eiseres aangehaalde risicofactoren niet op haar van toepassing, aldus de minister.
6.2.
De Afdeling heeft in haar uitspraak van 13 februari 2020 geoordeeld dat de situatie van eiseres, nu zij Eritrea vóór de afscheiding van Ethiopië in 1993 heeft verlaten, gelijkgesteld moet worden met de situatie van legaal uitgereisde Eritreeërs. De Afdeling motiveert dit, onder verwijzing naar haar uitspraak van 29 januari 2020 [7] , als volgt:
‘Hoewel de vreemdelingen strikt genomen Eritrea niet zijn uitgereisd, heeft de minister door op de omstandigheden te wijzen dat zij nooit in Eritrea zijn geweest en de Eritrese autoriteiten in Saoedi-Arabië hen in het bezit hebben gesteld van geldige reisdocumenten, deugdelijk gemotiveerd dat hun situatie gelijk te stellen is aan die van legaal uitgereisd Eritreeërs. Er is, mede gelet op de verstrekking van de reisdocumenten, geen reden om aan te nemen dat de vreemdelingen in de negatieve belangstelling van de Eritrese autoriteiten staan. De minister heeft dus terecht niet op voorhand aangenomen dat zij bij zelfstandig vertrek naar Eritrea een reëel risico lopen op een met artikel 3 van Pro het EVRM strijdige behandeling.’
6.3.
De rechtbank oordeelt dat de minister eiseres terecht niet volgt in haar primaire betoog dat sprake is geweest van illegale uitreis. Hij stelt zich terecht op het standpunt dat hij nog steeds mag uitgaan van het oordeel in de eerste procedure. De minister wijst er in het bestreden besluit terecht op dat hiervoor de eerder ongeloofwaardig geachte identiteit niet redengevend geweest, maar het moment van vertrek (namelijk voor de onafhankelijkheid van Eritrea). Ook het standpunt van de minister dat er wel een inhoudelijk oordeel is gegeven over de verklaringen van eiseres over haar uitreis is terecht. De minister concludeert ook terecht dat het oordeel van de Afdeling over de uitreis is gebaseerd op die verklaringen. Omdat uit de verklaringen van eiseres blijkt dat zij Eritrea voor 1993 en dus voor de onafhankelijkheid van dat land heeft verlaten, wordt geconcludeerd dat haar uitreis gelijk moet worden gesteld met een legale uitreis. Dat eiseres die uitreis zelf illegaal noemt maakt dat oordeel niet anders.
6.4.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar bij terugkeer zal worden toegedicht dat ze illegaal is uitgereisd. Hij volgt eiseres dus terecht niet in haar betoog dat zij niet kan beschikken over de benodigde documenten om terug te keren naar Eritrea en ook niet in haar betoog dat de gestelde risicofactoren van toepassing zijn op eiseres. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe. Zij zal daarbij eerst ingaan op de al dan niet benodigde documenten en daarna op de gestelde risicofactoren.
Documenten
6.4.1.
Allereerst stelt de rechtbank vast dat eiseres in haar beroep enkel spreekt over een paspoort. Welke andere reisdocumenten nodig zijn om terug te keren specificeert zij niet. Over het paspoort overweegt de rechtbank het volgende. In de eerste procedure is door de Eritrese autoriteiten in Saoedi-Arabië een identiteitskaart aan eiseres verstrekt.
de Eritrese autoriteiten in Nederland hebben op 8 juni 2022 een nationaliteitsverklaring aan eiseres verstrekt. Dit versterkt de conclusie van de Afdeling dat er (nog steeds) geen reden is om aan te nemen dat eiseres in de negatieve belangstelling staat van de Eritrese autoriteiten. De minister benadrukt dit dan ook terecht in het bestreden besluit. Hij heeft hierbij mogen betrekken dat eiseres, zoals zij zelf stelt in haar aanvraag, uitvoerige gesprekken heeft gehad met de Eritrese ambassade en, na een grondig onderzoek van hun zijde, zonder problemen documenten heeft kunnen verkrijgen ter onderbouwing van haar nationaliteit. Dat eiseres desondanks geen reispapieren kan verkrijgen om naar Eritrea te kunnen vertrekken is niet gebleken. Het is aan eiseres om te onderbouwen dat zij geen paspoort kan verkrijgen en dat heeft zij niet gedaan. Dat volgt ook niet uit de enkele verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2022 [8] . De minister concludeert dan ook terecht dat eiseres dit standpunt niet aannemelijk heeft gemaakt. Ook het feit dat, zoals blijkt uit een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht [9] , van eiseres niet mag worden verwacht dat zij tijdens de lopende asielprocedure contact opneemt met de diplomatieke vertegenwoordiging van Eritrea om een paspoort te verkrijgen, betekent dat niet dat zij dat paspoort niet kan verkrijgen. Van eiseres mag ook worden verwacht dat zij, na deze procedure ter voorbereiding op haar terugkeer, alsnog een paspoort aanvraagt. De minister mag er, gezien de eerdere contacten met de autoriteiten en het feit dat eerder documenten aan eiseres zijn verstrekt, van uit gaan dat dat aan haar zal worden verstrekt.
6.4.2.
De rechtbank volgt ook niet het betoog van eiseres over het naar gesteld benodigde uitreisvisum of een uitreisstempel. De minister concludeert terecht dat het feit dat eiseres legaal is uitgereisd betekent dat niet van haar zal worden verwacht dat zij daarover beschikt. In de eerste procedure heeft eiseres aangevoerd dat zij niet beschikt over een uitreisvisum. De Afdeling heeft desondanks geoordeeld dat de uitreis van eiseres gelijkgesteld moet worden met een legale uitreis, eiseres niet in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten en zij geen risico zal lopen bij terugkeer. De rechtbank volgt niet waarom, nu het uitreisvisum destijds geen beletsel was om te spreken van legale uitreis, het ontbreken van een uitreisstempel wel een probleem zal zijn. Dit volgt ook niet uit informatie waarnaar eiseres verwijst. In het EASO bericht wordt het ontbreken van een uitreisstempel genoemd als mogelijke indicator dat iemand illegaal is uitgereisd. Het hebben van een dergelijke stempel is echter geen vereiste voor terugkeer zo blijkt uit dit bericht. Dit volgt ook niet uit het Ambtsbericht 2023.
6.4.3.
Ook de conclusie van de minister dat eiseres het ‘regret form’ niet hoeft te ondertekenen is terecht. De minister heeft ter zitting benadrukt dat uit de uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2022 volgt dat spijt moet worden betuigd voor een illegale uitreis. Nu de uitreis van eiseres moet worden gezien als een legale uitreis, mag de minister ervan uitgaan dat eiseres dit formulier niet hoeft te ondertekenen. Ook als de lezing van het Ambtsbericht 2023 wordt gevolgd, dat middels een ‘regret form’ spijt wordt betuigd voor het plegen van het misdrijf van dienstplichtontduiking [10] hoeft eiseres geen ‘regret form’ te ondertekenen. Nu de minister, zoals hierna onder 7 wordt toegelicht, terecht concludeert dat eiseres de dienstplicht niet heeft ontdoken, is eiseres ook op deze grond niet gehouden tot het ondertekenen van een ‘regret form’. Uit het EASO bericht blijkt bovendien dat een dergelijk formulier alleen getoond moet worden ‘if applicable’ en dat is bij eiseres dus niet het geval. [11]
Risicofactoren6.4.4. Over de risicofactoren overweegt de rechtbank het volgende. Zoals hiervoor is toegelicht, is de risicofactor illegale uitreis niet van toepassing op eiseres. Ook de risicofactor dienstplicht is niet op haar van toepassing nu de minister terecht concludeert dat zij niet dienstplichtig is en ook nooit is geweest. Dit wordt verder toegelicht in onder 7. Dat eiseres niet gedwongen zal worden uitgezet en dat deze risicofactor daarom evenmin van toepassing is op eiseres wordt toegelicht onder 8. Over de overige risicofactoren heeft de minister ter zitting terecht benadrukt dat, als eiseres zich beroept op informatie, het aan haar is om duidelijk te maken wat dit betekent voor haar situatie en waarom dit het standpunt in de eerdere procedure wijzigt. Dat de minister terecht concludeert dat eiseres daar ook voor de overige risicofactoren niet in is geslaagd bespreekt de rechtbank hierna.
6.4.5.
Omdat eiseres betoogt dat zij door het niet betalen van de diasporabelasting het risico loopt te op ernstige schade de zin van artikel 3 van Pro het EVRM, is het aan haar om eerst aannemelijk te maken dat zij die belasting niet betaalt
. [12] De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres dat niet aannemelijk heeft gemaakt. Zij heeft het namelijk niet onderbouwd. Eiseres heeft ook niet onderbouwd dat en waarom het feit dat zij permanent terugkeert naar Eritrea is aan te merken als een risicoverhogende factor. Dit volgt ook niet uit het Ambtsbericht 2023. Daarin staat slechts dat de duur van het verblijf relevant is, maar hoe en op welke wijze wordt niet toegelicht. [13] Dit levert dan ook op zichzelf geen reëel risico op ernstige schade op. Ook het enkele feit dat uit onder meer het Ambtsbericht 2023 blijkt dat er in Eritrea sprake is van willekeur levert op zichzelf geen reëel risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM. De minister heeft ter zitting terecht benadrukt dat het aan eiseres is om haar vrees aannemelijk te maken en eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat en waarom die willekeur juist in haar geval zou leiden tot vervolging of ernstige schade.
6.4.6.
Kortom: de minister concludeert terecht dat de stelling van eiseres dat zij een reëel risico loopt op ernstige schade omdat zij illegaal is uitgereisd, danwel aan haar een illegale uitreis zal worden toegedicht ongeloofwaardig is. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister de verklaringen van eiseres over de militaire dienstplicht ten onrechte ongeloofwaardig geacht?
7. Eiseres betoogt dat zij een reëel risico loopt op ernstige schade omdat zij het risico loopt te worden opgeroepen voor de militaire dienstplicht. Zij voert daartoe aan dat er in Eritrea grote onzekerheid heerst over de maximale leeftijdsgrens voor de dienstplicht en steeds oudere personen worden opgeroepen. Dit volgt uit informatie van het Human Rights Concern Eritrea (HRCE) van 18 februari 2025. [14] Deze informatie is recenter dan het Ambtsbericht 2023 en sluit aan bij een breder patroon van willekeurige mobilisatie door de Eritrese autoriteiten. Die willekeur blijkt ook uit het Ambtsbericht 2023 en de jurisprudentie. Eiseres wijst in dat kader op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 27 november 2024 [15] en een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 30 november 2021 [16] . Ter zitting heeft eiseres gewezen op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 5 maart 2025. [17]
7.1.
In de eerste asielprocedure heeft de rechtbank als volgt geoordeeld:
De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom
eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij vanwege het niet vervullen van haar militaire
dienstplicht in de negatieve aandacht van de Eritrese autoriteiten staat. Daarbij heeft
verweerder mogen betrekken dat op het moment dat eiseres Eritrea verliet, er geen algemene dienstplicht bestond en zij ook nooit een oproep had ontvangen. Eiseres heeft zich daarom nooit aan de gestelde verplichtingen onttrokken. Ook heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer naar Eritrea kan worden opgeroepen voor de dienstplicht. Uit informatie over de dienstplicht in Eritrea blijkt immers dat eiseres inmiddels niet meer valt binnen de categorie dienstplichtigen.’ [18]
7.2.
De minister concludeert in het bestreden besluit terecht dat de nieuwe informatie van het HRCE dat oordeel niet wijzigt. Uit die informatie blijkt namelijk niet dat eiseres de dienstplicht alsnog zal moeten vervullen. Het bericht gaat over het opnieuw oproepen van personen die ooit eerder de dienstplicht hebben vervuld en eiseres is, zoals de minister terecht benadrukt, niet dienstplichtig en is dat ook nooit geweest.
7.2.1.
Ook de conclusie van de minister dat dit evenmin volgt uit de aangehaalde rechtspraak is terecht. Anders dan in de zaak van eiseres gaat het in die zaken over personen die wel zijn opgeroepen voor de dienstplicht en dus dienstplichtig zijn (geweest). Zo gaat de zaak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 30 november 2021 over een persoon die in de dienstplichtige leeftijd valt en zich heeft onttrokken aan de dienstplicht. Ook in de zaak van deze rechtbank zittingsplaats Haarlem van 7 oktober 2019 zijn partijen het erover eens dat de betrokkene binnen de dienstplichtige leeftijd valt en opnieuw kan worden opgeroepen. De zaak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 5 maart 2025 gaat weliswaar over een persoon die niet langer in de dienstplichtige leeftijd valt, maar zij heeft de dienstplicht al wel vervuld. Zij is dus eerder opgeroepen en kan daarom, anders dan eiseres, volgens de betreffende informatie wel opnieuw worden opgeroepen. De minister concludeert daarom niet ten onrechte dat de vrees die eiseres stelt te hebben om te worden opgeroepen voor de militaire dienstplicht ongeloofwaardig is. De beroepsgrond slaagt niet.
7.3.
Tot slot: ter zitting heeft eiseres aangegeven dat zij heeft vernomen dat er een nieuw ambtsbericht voor Eritrea is verschenen, maar dat deze geheim wordt gehouden. Zij betoogt dat dit voor haar interessant kan zijn omdat hierin mogelijk wordt ingegaan op de gewijzigde leeftijd voor de dienstplicht in Eritrea. Zij heeft daarom verzocht de zaak aan te houden om dat ambtsbericht te kunnen opvragen en inzien. De minister heeft aangegeven niet bekend te zijn met een nieuw ambtsbericht voor Eritrea. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan daaraan te twijfelen en heeft het verzoek tot aanhouding afgewezen. Hierbij heeft de rechtbank mee laten wegen dat de minister ter zitting zijn systemen heeft gecontroleerd en heeft vastgesteld dat daaruit niet bleek dat dat nieuwe ambtsbericht er is. Ook op het moment van het doen van deze uitspraak is er (nog) geen nieuw ambtsbericht verschenen dan wel openbaar gemaakt. Wel is er op 30 april 2025 een nadere toelichting verschenen op het Ambtsbericht 2023. Dit betreft echter een toelichting op de passages uit het Ambtsbericht 2023 over uitreisvisa. Het bevat geen (nieuwe) informatie over de dienstplichtige leeftijd.
Is er aanleiding om in het terugkeerbesluit op te nemen dat eiseres ondanks illegaal verblijf niet gedwongen zal worden uitgezet naar Eritrea?
8. Eiseres betoogt tot slot dat in het terugkeerbesluit zal moeten worden opgenomen dat zij niet gedwongen zal worden uitgezet. Uit het landenbeleid blijkt dat gedwongen terugkeer van vreemdelingen naar Eritrea niet zal plaatsvinden omdat de minister aanneemt dat bij gedwongen terugkeer een reëel risico op ernstige schade aanwezig is. [19] Dat in een dergelijk geval schriftelijk zal moeten worden bevestigd dat eiseres niet gedwongen wordt uitgezet volgt volgens eiseres uit het arrest Changu van het Hof van Justitie van 12 september 2024. [20] Eiseres zal, als haar asielaanvraag wordt afgewezen, het asielzoekerscentrum moeten verlaten. Door haar medische toestand zal zij dan in een situatie terecht komen die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM.
8.1.
De rechtbank stelt vast dat uit het landenbeleid [21] inderdaad volgt dat personen uit Eritrea niet gedwongen worden uitgezet. Dit betekent echter niet dat de minister dat expliciet moet opnemen in het terugkeerbesluit. Daarbij stelt zij voorop dat uit de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2020, waarnaar de Afdeling heeft verwezen in de eerste procedure [22] , volgt dat het uitgangspunt is dat een vreemdeling zelfstandig en zonder reëel risico op een situatie als bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM kan vertrekken naar Eritrea. [23] De minister heeft op zitting terecht gesteld dat dit uitgangspunt nog steeds geldt. Dit betekent dat eiseres door zelfstandig te vertrekken ook de door haar gestelde ongewenste gevolgen van een verblijf zonder rechtstitel in Nederland voorkomen. Van een situatie zoals in het arrest Changu, waarin onverschilligheid van de autoriteiten leidt tot een toestand van zeer vergaande materiele deprivatie, is dan ook geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet. [24]

Conclusie

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en de minister de asielaanvraag terecht kennelijk ongegrond heeft verklaard. Tegen het door eiseres opgelegde inreisverbod zijn geen gronden gericht zodat de rechtbank dit niet zal bespreken. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. van der Lee, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag, Zp. Haarlem 7 oktober 2019, NL19.19606 (niet gepubliceerd).
2.ABRvS 13 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:458.
3.ABRvS 20 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2017 en ECLI:NL:RVS:2018.
4.European Asylum Support Office, Eritrea, national service, exit and return, Country of Origin Information Report, September 2019, p. 58.
5.Welke documenten dat zijn volgt uit ABRvS 20 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2017, r.o. 8.1.
6.Rb. Den Haag, zp. Utrecht 22 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:17193.
7.ABRvS 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:313, r.o. 4.1.
8.ABRvS 20 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2017, r.o. 8.2.
9.Rb. Den Haag, zp. Utrecht 22 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:17193.
10.Dit blijkt uit het Ambtsbericht 2023, p. 25.
11.EASO, p. 58.
12.ABRvS 28 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4837 in r.o. 2.1.
13.Ambtsbericht 2023, p. 58.
14.Eritrea Orders Nationwide Military Mobilization, Raising Fears of Renewed Conflict,
15.Rb. Den Haag, zp. Haarlem 27 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:20980.
16.Rb. Den Haag, zp. Middelburg 30 november 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:13402.
17.Rb. Den Haag, zp. Utrecht 5 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:4056.
18.Rb. Den Haag, zp. Haarlem 7 oktober 2019, NL19.19606 (niet gepubliceerd).
19.Dit volgt uit paragraaf C7/13.8van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
20.HvJEU 12 september 2024, ECLI:C:EU:2024:748.
21.Paragraaf C7/13.8van de Vc 2000.
22.ABRvS 13 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:458, r.o. 2.
23.ABRvS 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:313, r.o. 4.1.
24.ABRvS 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:313, r.o. 4.1.