Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
de Minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
10 jaar. Eiser is het hier niet mee eens en heeft in de gronden van het beroep uitgelegd waarom hij het daar niet mee eens is. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit.
- Is er sprake van aanvullende besluiten?
- Over de voorwaarden voor intrekking, niet-verlenging en niet-verlening van de asielvergunning;
- Over het terugkeerbesluit en het inreisverbod;
- Over de redelijke termijn.
Procesverloop
Wat er aan het besluit van 18 maart 2021 voorafging
De besluitvorming
18 maart 2021 blijft voor wat betreft artikel 8 van Pro het EVRM, het terugkeerbesluit en het inreisverbod in stand.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank stelt verder vast dat in het reclasseringsrapport van 2 december 2019 aandacht is besteed aan de houding en motivatie van eiser en dat daaruit inderdaad naar voren komt dat eiser ontkent het slachtoffer te hebben verkracht, dat hij van mening is dat het contact op vrijwillige basis plaatsvond en dat hij meent dat hij onheus is bejegend door justitie. De reclassering concludeert dat de motivatie tot gedragsverandering gering is, omdat eiser de verkrachting ontkent. De rechtbank constateert echter dat de reclassering ondanks deze conclusie het recidiverisico op slechts 9 tot 12% inschat. Bij dat oordeel zijn ook andere aspecten betrokken. Zo springt volgens het rapport in het oog dat eiser meent als volwassen man seks te kunnen hebben als de ander dat ook wil en dat hij daarbij aan niemand uitleg verschuldigd is, maar dat uit het onderzoek geen bijzonderheden naar voren komen met betrekking tot zijn seksualiteitsbeleving. Door de psycholoog die in het kader van het onderzoek is geraadpleegd is geen ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens geconstateerd. In het rapport wordt verder gewezen op de beschermende factoren die er zijn in de vorm van steun van vrienden en dat dit steunend netwerk belangrijk is voor terugkeer in de maatschappij.
De minister heeft aangegeven dat het reclasseringsrapport een deskundigenrapport is en dat hij dit rapport onderschrijft. Dat de inzichten van de reclassering sindsdien zijn veranderd, is niet gebleken. Ook liggen er geen rapportages van andere instanties of deskundigen die een ander beeld laten zien. De rechtbank stelt verder vast dat eiser sinds zijn veroordeling, maar ook sinds zijn voorwaardelijke invrijheidsstelling op 28 januari 2021, zijn gedrag niet heeft herhaald, niet in aanraking is geweest met justitie en ook niet is gebleken dat er meldingen over eiser zijn gedaan. De verwachting van de reclassering dat het recidiverisico laag tot gemiddeld is, is in die zin uitgekomen. Waarom onder die omstandigheden nu, 8 jaar na de pleegdatum, nog steeds sprake zou zijn van een actuele bedreiging, is naar het oordeel van de rechtbank door de minister onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank wijst er verder op dat, voor zover uit deze omstandigheden al zou kunnen worden afgeleid dat, zoals de minister concludeert, er
geen enkele aanwijzingof
waarborgis dat dit niet nog een keer gaat gebeuren en dat het gegeven de houding van eiser
mogelijkis dat hij dezelfde fout zal maken, dit, in het licht van de rechtspraak van het Hof van Justitie, onvoldoende is om een actuele dreiging te kunnen aannemen.
18 maart 2021 en het aanvullend besluit van 22 april 2022 geen standhouden. Omdat daarmee niet is voldaan aan de materiële voorwaarden voor intrekking van de asielvergunning en voor afwijzing van de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van die vergunning, ziet de rechtbank geen aanleiding om op dit moment in te gaan op wat eiser heeft aangevoerd ten aanzien van de evenredigheid en artikel 8 van Pro het EVRM. Die punten worden namelijk pas relevant in het kader van de vraag of, als wel aan die voorwaarden is voldaan, de minister van de daaraan ontleende bevoegdheid tot intrekking of niet verlenging gebruik kan maken.
6 juli 2023 moet daarom buiten beschouwing worden gelaten. De totale termijn van behandeling van het beroep bedraagt dus 3 jaar en bijna 3 maanden. Hiermee is de redelijke termijn van twee jaar voor de behandeling van het beroep overschreden met 1 jaar en bijna
3 maanden. Uitgaande van een schadebedrag van € 500,- per half jaar, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, zal de rechtbank de Staat veroordelen tot een schadevergoeding van € 1.500,-.
Conclusie en gevolgen
2,5 punten. Voor de gronden die eiser naar aanleiding van het 6:19-besluit bij brief van
18 mei 2022 heeft aangevuld wordt 0,5 punt toegekend. Dat geldt ook voor de reactie van 27 maart 2025 op het aanvullende standpunt van de minister van 4 februari 2025. Totaal 4,5 punten. De waarde per punt is 907,-, de wegingsfactor is 1, wat leidt tot € 4.081,50.