Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
dusook ongeloofwaardig is. De omstandigheid dat dit in het eerste besluit ook zo is geschied en de rechters in eerste en in tweede aanleg die beoordeling hebben “goedgekeurd”, betekent niet dat de rechtbank dit in de opvolgende procedure moet overnemen en/of zal overnemen. Reeds omdat verweerder de kern van het relaas waarop de vrees van eiseres en dus ook haar asielaanvraag is gebaseerd, anders dan in de eerste procedure nu wel geloofwaardig acht, betekent dit dat het besluit op de opvolgende asielaanvraag van eiseres onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en het besluit onvoldoende toereikend is gemotiveerd. De rechtbank overweegt hierbij dat indien het relaas van eiseres alsnog (deels) geloofwaardig wordt bevonden, dit ook steunbewijs voor het relaas van eiser oplevert. De bewijsmiddelen die eiser en eiseres in hun eerste en in hun opvolgende procedure hebben aangedragen, dienen door verweerder in onderlinge samenhang te worden onderzocht. Verweerder lijkt dit te hebben miskend en heeft ook miskend dat hij het relaas van eiseres niet langer integraal ongeloofwaardig heeft geacht.
alle bewijsmiddelendie in
alle procedureszijn aangedragen om eenzelfde asielmotief te onderbouwen in onderlinge samenhang te beoordelen en dan te beoordelen of de verklaringen die aan de asielaanvraag ten grondslag liggen geloofwaardig kunnen worden bevonden. Voor zover verweerder de nieuwe elementen en bevindingen zelfstandig beoordeelt omdat het besluit op de eerdere asielaanvraag in rechte vaststaat, is deze beoordeling in de opvolgende procedure dus te beperkt van omvang. Dat de Afdeling op een bepaald moment een uitspraak heeft gedaan waarbij de rechtmatigheid van een besluit is beoordeeld en de uitspraak die daarover gaat is bevestigd, betekent in de opvolgende procedure “slechts” dat eiser op dat moment van de uitspraak zijn asielmotief niet aannemelijk heeft weten te maken. Eiser heeft een opvolgende asielaanvraag ingediend omdat hij nieuwe bewijsmiddelen heeft vergaard om zijn asielmotief alsnog aannemelijk te maken. Verweerder dient dus, als ware er slechts één asielaanvraag, te onderzoeken of eiser zijn relaas en beschermingsbehoefte aannemelijk maakt. Dit vergt een wezenlijke andere beoordeling dan de vaststelling dat “in rechte vaststaat dat de verklaringen over de problemen met de Sri Lankaanse autoriteiten in de vorige procedure reeds ongeloofwaardig zijn geacht” en dat “eiser met de nu overgelegde documenten deze problemen niet aannemelijk maakt”. Dat een geloofwaardigheidsbeoordeling na toetsing van het besluit door de (hoogste) rechter in rechte vaststaat, is dus in wezen niet meer dan een momentopname. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 19 april 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:5570) en 4 oktober 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:15988).