ECLI:NL:RBDHA:2024:3776
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning regulier humanitair tijdelijk wegens niet voldoen aan B8-voorwaarden
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het doel humanitair tijdelijk, de zogenaamde B8-vergunning, na een aangifte van mensenhandel. De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat het Openbaar Ministerie (OM) had aangegeven dat de aanwezigheid van eiser in Nederland niet noodzakelijk was voor opsporing en vervolging van mensenhandel.
De rechtbank oordeelt dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor een B8-vergunning zoals neergelegd in artikel 3.48 van het Vreemdelingenbesluit 2000 en de Vreemdelingencirculaire. Het enkele feit dat er onderzoekshandelingen zijn verricht, is onvoldoende om aan de voorwaarden te voldoen. Daarnaast is het onderscheid in beleid tussen Dublinclaimanten en niet-Dublinclaimanten gerechtvaardigd en niet in strijd met de Richtlijn 2004/81.
Eiser stelde verder dat hij onvoldoende bedenktijd en voorzieningen heeft gekregen als vermoedelijk slachtoffer van mensenhandel. De rechtbank volgt dit niet, omdat eiser niet heeft onderbouwd welke invloed een langere bedenktijd zou hebben gehad en dat hij vanaf zijn asielaanvraag al voorzieningen ontving. Ook is de implementatie van de Richtlijn 2004/81 in het Nederlandse recht correct volgens de rechtbank.
Ten slotte oordeelt de rechtbank dat het bezwaar van eiser terecht kennelijk ongegrond is verklaard en dat het horen van eiser niet noodzakelijk was. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een B8-vergunning wordt ongegrond verklaard.