ECLI:NL:RVS:2023:3422
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling beschikbaarheid noodzakelijke medische behandeling in Irak bij uitzetting vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid weigerde ambtshalve te bepalen dat de uitzetting van een vreemdeling met een zeldzame nierziekte achterwege blijft, omdat volgens het Bureau Medische Advisering (BMA) de noodzakelijke medische behandeling in Irak beschikbaar is. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende rekening had gehouden met de zeldzaamheid van de aandoening en de jonge leeftijd van de vreemdeling, en dat nierdialyse in Irak geen reëel alternatief zou zijn. Tevens stelde de rechtbank dat de staatssecretaris de hoorplicht had geschonden en onvoldoende onderzoek had gedaan naar de beschikbaarheid van medicatie.
In hoger beroep oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat de staatssecretaris zich voldoende heeft vergewist van de zorgvuldigheid en onderbouwing van het BMA-advies. De Raad stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de vreemdeling in bewijsnood verkeert en dat nader onderzoek noodzakelijk was. De Raad benadrukt dat het BMA heeft aangegeven dat nierdialyse in Irak slechts in uiterste noodzaak wordt toegepast en dat andere behandelingen eerst worden ingezet. Ook is de hoorplicht niet geschonden omdat de bezwaren van de vreemdeling niet tot een ander besluit konden leiden.
De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.