ECLI:NL:RBDHA:2024:3727
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen intrekking verblijfsvergunning familie- of gezinslid na echtscheiding
Eiseres, houdster van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf als familie- of gezinslid bij haar ex-partner, werd geconfronteerd met de intrekking van haar vergunning per 26 januari 2022 na de uitspraak van de echtscheiding. Tevens werd haar aanvraag tot wijziging van het verblijfsdoel naar verblijf bij haar zoon afgewezen. De rechtbank oordeelt dat de intrekking met terugwerkende kracht rechtmatig is, aangezien eiseres niet langer voldoet aan de voorwaarden waaronder de vergunning is verleend.
De rechtbank stelt vast dat het jongvolwassenenbeleid niet van toepassing is op de zoon als referent, omdat hij niet samenwoont met eiseres en financieel zelfstandig is. Ook is onvoldoende gebleken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en haar zoon. De belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro leidt tot een afwijzing van het beroep, waarbij de rechter terughoudend toetst en het algemeen belang bij een restrictief toelatingsbeleid zwaar weegt.
Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de uitspraak in het beroep inmiddels is gedaan. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 9 februari 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.