ECLI:NL:RBDHA:2024:3725
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning mensenhandel met terugwerkende kracht niet onrechtmatig
Eiseres, met de Marokkaanse nationaliteit, had een verblijfsvergunning mensenhandel voor de periode 31 januari 2022 tot 31 januari 2023. Deze vergunning werd met terugwerkende kracht per 10 mei 2022 ingetrokken door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, omdat het Openbaar Ministerie het strafrechtelijk onderzoek naar arbeidsuitbuiting voortijdig beëindigde wegens onvoldoende aanknopingspunten voor verdenking.
Eiseres stelde dat zij nog slachtoffer was van mensenhandel en dat de intrekking onrechtmatig was, onder meer omdat zij psychisch niet in staat was aangifte te doen over seksuele uitbuiting, en dat de hoorplicht was geschonden. De rechtbank oordeelde dat de intrekking met terugwerkende kracht geoorloofd is volgens vaste rechtspraak en dat de vergunning terecht werd ingetrokken omdat niet langer werd voldaan aan de voorwaarden waaronder de vergunning was verleend.
De rechtbank verwierp het beroep van eiseres, onder meer omdat zij geen loonvorderingsprocedure had ingesteld ondanks daartoe geboden termijn en verlenging, en omdat de klacht tegen het niet vervolgen van de ex-werkgever bij het Gerechtshof geen invloed heeft op de intrekking. Ook was de hoorplicht niet geschonden omdat het horen in bezwaar niet noodzakelijk was gezien de gronden van het bezwaar.
Ten slotte werd het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard omdat de uitspraak in het beroep was gedaan en er geen connexiteit meer bestond. De rechtbank concludeerde dat de intrekking niet onevenredig was en in overeenstemming met het recht op familie- en gezinsleven volgens artikel 8 EVRM Pro.
De uitspraak bevestigt de mogelijkheid van terugwerkende intrekking van verblijfsvergunningen en benadrukt het belang van medewerking aan strafrechtelijke procedures en loonvorderingsprocedures voor het behoud van een verblijfsvergunning mensenhandel.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning mensenhandel ongegrond en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af wegens niet-ontvankelijkheid.