ECLI:NL:RVS:2023:3569
Raad van State
- Hoger beroep
- C.M. Wissels
- N. Verheij
- J. Schipper-Spanninga
- Rechtspraak.nl
Vaststelling tijdigheid verzoek tot terugname op grond van Dublinverordening bij asielaanvragen Jemenitisch gezin
Het betreft een hoger beroep van een Jemenitisch gezin tegen het niet in behandeling nemen van hun asielaanvragen door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De staatssecretaris beriep zich op de Dublinverordening en stelde dat Duitsland verantwoordelijk was voor de asielaanvragen, omdat het terugnameverzoek tijdig was ingediend. Het gezin betwistte de berekening van de termijn voor het indienen van het terugnameverzoek.
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft geoordeeld dat het verzoek om internationale bescherming formeel is ingediend op het moment dat de vreemdelingen bij de IND in Ter Apel een zogenoemde loopbrief ontvingen, wat plaatsvond op 6 september 2022. Deze loopbrief geldt als een door een overheidsinstantie opgesteld document dat bewijst dat het verzoek om bescherming is gedaan. De termijn van drie maanden voor het indienen van het terugnameverzoek vangt daarmee aan op 7 september 2022 en eindigt op 6 december 2022.
Het terugnameverzoek werd echter op 7 december 2022 ingediend, wat betekent dat het verzoek niet tijdig was. De rechtbank had dit niet onderkend en de Afdeling vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank en de besluiten van 13 februari 2023. De staatssecretaris wordt opgedragen nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak en wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek tot terugname is niet tijdig ingediend, waardoor Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvragen.