ECLI:NL:RBDHA:2024:20715
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatigheid voortduren maatregel van vreemdelingenbewaring wegens gebrekkige verzwaarde belangenafweging
De minister van Asiel en Migratie legde op 28 april 2024 een maatregel van vreemdelingenbewaring op aan eiser. Deze maatregel werd reeds meerdere malen door de rechtbank getoetst en voortgezet. Eiser stelde op 20 november 2024 beroep in tegen het voortduren van deze maatregel. De rechtbank onderzocht of de minister een verzwaarde belangenafweging had gemaakt na zes maanden aaneengesloten bewaring, zoals voorgeschreven in de Vreemdelingenwet 2000 en de Vreemdelingencirculaire 2000.
De rechtbank constateerde dat eiser op 24 oktober 2024 zes maanden onafgebroken in bewaring zat en dat de minister uiterlijk op die datum een verzwaarde belangenafweging had moeten maken. Uit de voortgangsrapportage van 21 november 2024 bleek dat de minister wel een conclusie trok dat het belang bij verwijdering zwaarder woog, maar de motivering was gebrekkig en de tabel met details was niet ingevuld. Hierdoor was onduidelijk welke belangen waren meegewogen en waarom het belang van de minister zwaarder woog.
De rechtbank oordeelde dat deze gebrekkige motivering de voortzetting van de maatregel vanaf 25 oktober 2024 onrechtmatig maakte. Het beroep werd gegrond verklaard, de maatregel van bewaring werd per direct opgeheven. Tevens werd de Staat veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €4.200 voor 42 dagen onrechtmatige vrijheidsontneming en tot vergoeding van de proceskosten van €1.750 aan de rechtsbijstandverlener van eiser.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt gegrond verklaard en de maatregel wordt opgeheven met ingang van 25 oktober 2024.