ECLI:NL:RBDHA:2024:9331
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000
De rechtbank Den Haag heeft op 12 juni 2024 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak betreffende het voortduren van een maatregel van bewaring opgelegd op 28 april 2024 aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank had deze maatregel reeds eerder beoordeeld op 13 mei 2024 en toetst nu alleen de rechtmatigheid van het voortduren sinds het sluiten van het onderzoek op 7 juni 2024.
Eiser stelde dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend zou handelen bij zijn uitzetting, met name vanwege het gebrek aan concrete voortgang bij het verkrijgen van een laissez-passer en de summiere medewerking van de Algerijnse autoriteiten. De rechtbank oordeelt echter dat uit het voortgangsrapport blijkt dat op 3 juni 2024 een vertrekgesprek heeft plaatsgevonden en dat een lp-aanvraag is ingediend. Tevens is er een stijgende lijn in de medewerking van de Algerijnse autoriteiten sinds eind 2023.
De rechtbank benadrukt dat de staatssecretaris afhankelijk is van de Algerijnse autoriteiten voor het afgeven van een laissez-passer en dat het normale verloop van het lp-traject tijd kost. Eiser kan dit proces versnellen door zelf mee te werken, maar uit de stukken blijkt geen bereidheid daartoe. De rechtbank ziet geen grond om de maatregel van bewaring als onrechtmatig te beoordelen en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen en de staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.