ECLI:NL:RBDHA:2024:11881
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Kroatië
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Kroatië verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 12 juni 2024 behandeld.
De rechtbank oordeelt dat de termijnen uit de Eurodac-verordening niet bepalend zijn voor het aanvangsmoment van de twee-maandentermijn uit artikel 23, tweede lid, van de Dublinverordening. De termijn is volgens de rechtbank aangevangen met de Eurodac-treffer op 19 januari 2024 en was op het moment van het terugnameverzoek op 7 maart 2024 nog niet verstreken.
Eiser stelde dat het terugnameverzoek te laat was ingediend en dat Nederland daarom verantwoordelijk zou zijn, maar deze grond faalde. Ook het betoog dat verweerder niet mocht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië vanwege pushbacks en de situatie aldaar werd verworpen. De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende onderzoek heeft gedaan en dat er geen nieuwe feiten zijn die tot een ander oordeel leiden.
Ten slotte wees de rechtbank het beroep af dat verweerder de aanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich had moeten trekken wegens bijzondere omstandigheden. De rechtbank vond dat verweerder zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat de overdracht aan Kroatië geen onevenredige hardheid oplevert.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, de voorlopige voorziening wordt afgewezen en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de voorlopige voorziening afgewezen.