ECLI:NL:RBDHA:2023:7880
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing mvv-aanvraag staatloze Palestijn wegens ontbreken meer dan gebruikelijke afhankelijkheid
Eiser, een staatloze Palestijn, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij zijn meerderjarige dochter, eveneens staatloos en met asielstatus in Nederland, te verblijven. De staatssecretaris wees dit verzoek af omdat er geen sprake was van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie en de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro in het nadeel van eiser uitviel.
Eiser voerde in beroep aan dat de staatssecretaris onjuist het toetsingskader hanteerde en onvoldoende rekening hield met de objectieve belemmeringen om het familieleven in Syrië voort te zetten, mede door de verslechterde veiligheidssituatie na de aardbevingen en zijn afhankelijkheid van zorg door zijn dochter. Tevens stelde hij dat het economisch belang van Nederland te zwaar werd meegewogen.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris terecht het toetsingskader hanteerde en dat de belangenafweging niet onredelijk was. De afwezigheid van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie was doorslaggevend, en de objectieve belemmeringen en economische belangen waren adequaat meegewogen. Het beroep werd ongegrond verklaard.
De uitspraak benadrukt dat gunstigere voorwaarden voor statushouders bij reguliere mvv-aanvragen niet verplicht zijn en dat economische belangen expliciet meegewogen mogen worden. De rechtbank bevestigt daarmee de afwijzing van de mvv-aanvraag en handhaaft het bestreden besluit.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de mvv-aanvraag.