Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 april 2022 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., te Zoetermeer, eiseres,
[derde-partij], te Zoetermeer.
Procesverloop
Overwegingen
1 december 2017 tot 30 november 2018 werkzaam geweest als HR-assistent bij eiseres voor 36 uur per week. Op 21 mei 2018 heeft zij zich ziekgemeld. Nadat de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigde op 30 november 2018, heeft betrokkene een uitkering ontvangen op grond van de Ziektewet. Na afloop van de (verlengde) wachttijd in het kader van de Wet Wia is aan haar bij het primaire besluit een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. Daarbij is door verweerder een arbeidsongeschiktheidspercentage vastgesteld van 80-100%.
7 december 2018 tot en met 23 januari 2020 meerdere malen op spreekuur gezien en heeft hij medische rapportages opgesteld. Volgens [naam 3] is betrokkene uitgevallen wegens een disbalans tussen draaglast en draagkracht als gevolg van een combinatie van problemen in haar werk en haar privésituatie. Daarbij zijn ook de gevolgen van een belast verleden tot uitdrukking gekomen. De disbalans tussen draaglast en draagkracht in combinatie met de door [naam 3] gestelde diagnose maakt betrokkene kwetsbaar voor terugvallen. De beperkingen die hiermee gepaard gaan zijn vertaald in de functionele mogelijkhedenlijst van 23 januari 2020. Daaruit blijkt onder andere dat betrokkene beperkt is in het persoonlijk en sociaal functioneren, en dat zij 20 tot 30 uur per week kan werken als de belasting conform een opbouwschema wordt opgebouwd. In het medische onderzoeksverslag van 27 februari 2020 heeft verzekeringsarts Karatas de door [naam 3] opgestelde functionele mogelijkheden lijst als adequaat beoordeeld.
23 juni 2021. [1] De rechtbank leidt hieruit af dat een betrokkene die een bezwaarprocedure doorloopt en daarin de medische grondslag van het primaire besluit betwist, ten minste één keer moet worden onderzocht tijdens een spreekuurcontact door een geregistreerd verzekeringsarts. Dat kan de primaire verzekeringsarts zijn of de verzekeringsarts b&b. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat het een spreekuurcontact in persoon betreft, waarbij de mogelijkheid tot lichamelijk onderzoek bestaat. Van een dergelijk spreekuurcontact kan in beginsel slechts worden afgezien indien de verzekeringsarts voldoende kan motiveren dat in het licht van de aard van de klachten en de beschikbare medische informatie, een spreekuurcontact geen toegevoegde waarde heeft. Het in algemene zin opmerken dat voldoende informatie voorhanden is om tot een verzekeringsgeneeskundige heroverweging in bezwaar te komen is hiertoe ontoereikend. [2]
(de rechtbank begrijpt: het telefonisch gesprek met de primaire verzekeringsarts [naam 4] )inhoudelijk is beoordeeld en dat een indruk is verkregen van de psychische toestand. Daarmee is de al aanwezige medische informatie in het dossier door middel van een anamnese aangevuld. Op basis hiervan zijn vervolgens passende psychische beperkingen vastgesteld, zo blijkt uit zijn rapport van 15 december 2020. In bezwaar zijn geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd die een ander licht op de zaak wierpen, zodat volgens de verzekeringsarts b&b geen dringende reden bestond om betrokkene in persoon op spreekuur te zien.