ECLI:NL:RVS:2022:994
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Opheffing ongewenstverklaring vreemdeling wegens ontbreken actuele bedreiging openbare orde
De vreemdeling was ongewenst verklaard op grond van nationaal recht ter bescherming van de openbare orde, hetgeen nu geldt als een inreisverbod voor onbepaalde tijd onder de Terugkeerrichtlijn. De staatssecretaris wees het verzoek om opheffing van deze ongewenstverklaring af, waarna de rechtbank het beroep ongegrond verklaarde.
In hoger beroep oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat de staatssecretaris bij een opheffingsverzoek altijd moet toetsen aan het Unierechtelijke openbare-ordecriterium uit het arrest Z.Zh. en I.O. Dit betekent dat de ongewenstverklaring moet worden opgeheven indien het persoonlijke gedrag van de vreemdeling geen actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt.
De staatssecretaris had zich op dit standpunt gesteld, maar de rechtbank had dit niet erkend. De Raad van State vernietigt daarom het eerdere besluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaart het bezwaar gegrond, en heft de ongewenstverklaring op met ingang van de datum van het verzoek. Tevens worden de proceskosten aan de vreemdeling toegekend.
Uitkomst: De ongewenstverklaring wordt opgeheven met ingang van 8 maart 2019 wegens ontbreken van een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging.