Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2022 in de zaken tussen
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
€ 125.000, zijnde een bedrag van € 109.000 ter dekking van de fiscale oudedagsreserve en een bedrag van € 16.000 als lopende uitgaven, in box 1 als liquide middelen van de onderneming in aanmerking genomen kan worden. Het resterende bedrag van € 724.891 (€ 849.891 -/- € 125.000) heeft verweerder aangemerkt als overtollige liquide middelen die geen deel uitmaken van het ondernemingsvermogen. Deze heeft verweerder in box 3 in aanmerking genomen.
(€ 725.279 -/- € 28.000) in aanmerking wordt genomen. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is daarbij vastgesteld op een bedrag van € 13.252, het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang op een bedrag van € 550 en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen op een bedrag van € 30.780.
€ 165.000) als overtollige liquide middelen in box 3 wordt aangemerkt. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is daarbij vastgesteld op een bedrag van nihil, het belastbaar inkomen uit aanmerkelijke belang op een bedrag van € 1.509 en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen op een bedrag van € 17.760. Hierbij is uitgegaan van een grondslag sparen en beleggen van € 448.408. Daarnaast is de aanslag Zvw verminderd tot een bijdrage-inkomen van nihil.
Geschil10. In geschil is of verweerder terecht een bedrag van € 696.891 (2017) respectievelijk € 461.797 (2018) in box 3 in aanmerking heeft genomen als zijnde overtollige liquide middelen. Indien genoemd bedrag in box 3 in aanmerking moet worden genomen is in geschil of verweerder het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021en het daarop volgende beleidsbesluitjuist heeft vastgesteld. Verder is in geschil of verweerder de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, heeft geschonden. Tenslotte is in geschil of eiser recht heeft op een dwangsom en op een vergoeding van de proceskosten in bezwaar. Bij brief van 1 oktober 2021 heeft eiser zijn standpunt inzake de FOR-onttrekking ingetrokken. Dit punt is dan ook niet langer in geschil.
(€ 153.000 + € 28.000) tot het ondernemingsvermogen moet worden gerekend. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is om een hoger bedrag aan liquide middelen tot het ondernemingsvermogen te rekenen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft verweerder gewezen op de omvang van de onderneming, de dalende omzet van de onderneming sinds 2014 en de weinig concrete plannen van eiser met betrekking tot toekomstige vervangingsinvesteringen en de verwerving van zelfstandige kantoorruimte. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee is geslaagd in zijn bewijslast. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die tot een andere conclusie nopen. De rechtbank overweegt hierbij dat het, gelet op de omvang en de aard van de onderneming, een eenmansbedrijf in de advies- en consultancybranche, de reeds voor corona ingezette daling van de omzet, de leeftijd van eiser en het feit dat eiser geen uitvoering heeft gegeven aan zijn reeds gedurende meerdere jaren bestaande plannen om te herinvesteren en onroerend goed te verwerven, het niet aannemelijk is dat hij binnen afzienbare tijd grote investeringen zal gaan doen. Verweerder heeft terecht de grondslag sparen en beleggen voor box 3 gesteld op een bedrag van
€ 665.279 (€ 697.279 - € 32.000).
€ 1.442 (14 dagen x € 23 + 14 dagen x € 35 + 14 dagen x € 45).
5 november 2021 vermeld. Verweerder heeft in een mail gedateerd 5 november 2021 aan eiser bericht dat de ingebrekestelling de vorige dag ontvangen is. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat van de datum 4 november 2021 mag worden uitgegaan als ontvangstdatum van de ingebrekestelling. De rechtbank sluit zich hierbij aan. De laatste dag van de twee weken termijn is ingevolge artikel 4:17, derde lid, van de Awb 18 november 2021. Eiser heeft de uitspraak op bezwaar op 23 november 2021 ontvangen. Dat betekent dat verweerder een dwangsom is verschuldigd over 3 dagen. De rechtbank stelt het bedrag van de dwangsom vast op € 69 (3 dagen x € 23).
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar;
- draagt verweerder op de aanslagen IB/PVV en Zvw 2017 en 2018 te verminderen met inachtneming van het bepaalde in deze uitspraak;
- draagt verweerder op de belastingrentebeschikkingen over de jaren 2017 en 2018 dienovereenkomstig te verminderen;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;
- stelt op grond van artikel 4:17 van Pro de Awb de verbeurde dwangsom met betrekking tot zaaknummer SGR 21/3384 vast op € 1.442;
- stelt op grond van artikel 4:17 van Pro de Awb de verbeurde dwangsom met betrekking tot zaaknummer SGR 21/8397 vast op € 69;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 324,70;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49 aan eiser te vergoeden.
19 december 2022.
de uitspraak te ondertekenen.