ECLI:NL:RVS:2010:BP0428
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H. Troostwijk
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Recht op consulaire bijstand bij vreemdelingenbewaring en inspanningsverplichting minister
De vreemdeling is op 23 oktober 2010 in vreemdelingenbewaring gesteld en gewezen op zijn recht op consulaire bijstand. Hij heeft verklaard contact te willen met de consulaire vertegenwoordiging van zijn land van herkomst. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
In het hoger beroep klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet is gebleken dat hij terstond gebruik wilde maken van zijn recht op consulaire bijstand, terwijl de minister een inspanningsplicht heeft om dit contact zo spoedig mogelijk te bewerkstelligen zodra de vreemdeling daarom verzoekt. De Afdeling bestuursrechtspraak onderschrijft deze uitleg van het Verdrag van Wenen en het Vreemdelingenbesluit 2000.
Desondanks oordeelt de Afdeling dat het geschonden recht op consulaire bijstand niet automatisch leidt tot vernietiging van de uitspraak, omdat de belangenafweging in het kader van de vreemdelingenbewaring rechtmatig is geweest. De vreemdeling heeft de gronden voor bewaring niet bestreden en er is geen sprake van disproportionele schending van zijn belangen.
De Afdeling verklaart het hoger beroep kennelijk ongegrond, bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.