ECLI:NL:RVS:2015:674
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingenbewaring en toepassing lichter middel bij langdurig verblijf in Nederland
De vreemdeling werd op 14 oktober 2014 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en beval opheffing van de bewaring, met toekenning van schadevergoeding. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in.
De Raad van State overwoog dat de rechtbank ten onrechte een terughoudende toets toepaste bij de beoordeling van de toepassing van een lichter middel dan bewaring. De Raad benadrukte dat de rechter een grondig onderzoek moet doen naar de feitelijke en juridische elementen en zelf kan beslissen over de rechtmatigheid van de bewaring en de mogelijkheid van een minder ingrijpende maatregel.
De Raad stelde vast dat de staatssecretaris terecht uitging van het niet voldoen aan de vertrekplicht door de vreemdeling, die meerdere malen in bewaring was geweest, geen vaste verblijfplaats had en niet meewerkte aan vaststelling van identiteit. Er waren geen persoonlijke omstandigheden die bewaring disproportioneel maakten. Daarom was bewaring gerechtvaardigd en volstond een lichter middel niet.
Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard zonder schadevergoeding.