Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 mei 2021 in de zaken tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser,
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
mr. [B] .
Overwegingen
Geschil14.In geschil is of verweerder de naheffingsaanslagen heeft mogen opleggen en, zo ja, of de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd.
26 april 2018 niet tot gevolg heeft dat hij over onderhavige jaren niet meer zou mogen naheffen. Uit die uitspraak van deze rechtbank van 26 april 2018 volgt volgens verweerder dat het appartement tot en met 24 februari 2015 uitsluitend is gebruikt voor vrijgestelde prestaties. Eiser heeft volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat het appartement in de jaren 2014 tot en met 2018 is gebruikt voor belaste prestaties. Voor het tijdvak 2016 stelt verweerder zich daarnaast op het standpunt dat eiser niets heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij terecht de voorbelasting heeft afgetrokken en terecht omzet heeft vermeld in rubriek 1e van de aangifte. De beroepen moeten volgens verweerder ongegrond worden verklaard.
18 september 2019 bezwaar gemaakt. Dat bezwaar is dus tijdig ingediend en ontvankelijk.
28 oktober 2019 om 10.00 uur. Eiser heeft hier niet op gereageerd waarop verweerder bij brief van 23 oktober 2019 het aanbod voor 28 oktober 2019 heeft herhaald en als alternatief 31 oktober 2019 om 15.00 uur heeft gegeven. Eiser heeft in reactie hierop meegedeeld dat wat hem betreft een hoorgesprek medio november zou kunnen plaatsvinden en verweerder verzocht daartoe contact op te nemen met mevrouw [C] ( [C] ). Op
7:4 van de Awb voorbij.
16 van de Awr en dat om die reden de naheffingsaanslagen moeten komen te vervallen. Deze stelling berust op een misvatting. Artikel 16 van Pro de Awr ziet op navorderingsaanslagen en niet op naheffingsaanslagen zoals hier aan de orde zijn. Deze naheffingsaanslagen zijn gebaseerd op artikel 20 van Pro de Awr dat niet de eis van een nieuw feit bevat. De rechtbank heeft het betoog van eiser over het ontbreken van een nieuw feit daarom opgevat als een beroep op het vertrouwensbeginsel.
Beslissing
- verklaart de beroepen met de zaaknummers SGR 20/288 en SGR 20/289 ongegrond;
- verklaart het beroep met zaaknummer SGR 20/280 gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar inzake de naheffingsaanslag over het tijdvak 2014-2015;
- vermindert de naheffingsaanslag over het tijdvak 2014-2015 tot € 3.352, vermindert de rentebeschikking over het tijdvak 2014-2015 tot € 473 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten tot een bedrag van € 28;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48 aan eiser te vergoeden.