ECLI:NL:RBDHA:2021:16538
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsaanvraag wegens schijnhuwelijk bij partner met Nederlandse nationaliteit
Eiser, een Ghanees staatsburger, vroeg verblijf aan als partner van zijn Nederlandse echtgenote. Verweerder stelde een onderzoek in naar mogelijke misbruik van de verblijfsrichtlijn, omdat er meerdere indicatoren waren die wezen op een schijnhuwelijk. Eiser en zijn partner gaven tijdens het gehoor vage, tegenstrijdige en ongeloofwaardige verklaringen over essentiële onderdelen van hun relatie.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht onderzoek mocht instellen en dat het leeftijdsverschil, de dubbele huwelijken van de partner met dezelfde ex-man en de tegenstrijdigheden in verklaringen voldoende aanwijzingen vormden voor een schijnhuwelijk. De stelling dat de besluitvorming onzorgvuldig was omdat indicatoren pas na het primaire besluit bekend werden, werd verworpen omdat eiser voldoende gelegenheid kreeg om te reageren.
Ook werd geoordeeld dat het gehoor zorgvuldig was afgenomen, ondanks het ontbreken van een tolk Twi, omdat eiser de Engelse taal machtig was en het gesprek goed kon volgen. Het ontbreken van juridische bijstand tijdens het gehoor leidde niet tot schending van belangen, mede omdat eiser in de bezwaarprocedure wel juridische bijstand had.
De rechtbank verwierp het beroep van eiser dat de beoordeling te veel vanuit een Westers perspectief was gedaan, omdat onvoldoende onderbouwing daarvoor was gegeven. Gelet op het voorgaande concludeerde de rechtbank dat het huwelijk was gesloten met als enig doel het verkrijgen van een verblijfsvergunning en dat de weigering van de verblijfsvergunning niet in strijd was met artikel 8 EVRM Pro. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de verblijfsvergunning wegens schijnhuwelijk wordt ongegrond verklaard.