Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser], eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Boultif tegen Zwitserlandvan 2 augustus 2001 (ECLI:NL:XX:2001:AD3516) en
Üner tegen Nederlandvan 18 oktober 2006 (ECLI:NL:XX:2006:AZ2407). Verweerder heeft daarbij niet ten onrechte doorslaggevende betekenis gehecht aan het grote aantal en de aard van de strafrechtelijke antecedenten van eiser, de lange periode die deze beslaan en het feit dat eiser ondanks herhaalde waarschuwingen van verweerder, niet is opgehouden met het plegen van strafbare feiten. Het in het dossier aanwezige uittreksel uit eisers justitiële documentatie van 20 april 2020 telt maar liefst 33 pagina’s met veroordelingen voor ruim 50 misdrijven en gevangenisstraffen voor de duur van, opgeteld, circa 83 maanden. Een en ander beslaat een periode vanaf 1996 en omvat vele (gekwalificeerde) diefstallen en misdrijven uit de Opiumwet. Eisers laatste veroordeling dateert van 3 juli 2019, wegens misdrijven gepleegd op 6 maart 2019. Hierin verschilt eisers zaak met het door hem aangehaalde arrest van het EHRM in de zaak
Boussara tegen Frankrijkvan 23 september 2010 (ECLI:CE:ECHR:2010:0923JUD002567207), waarin sprake was van één veroordeling. Verder kan eiser niet worden gevolgd in de stelling dat hij geen banden meer heeft met Marokko, nu hij tijdens het gehoor van 3 juli 2018 heeft verklaard dat hij familie en kennissen heeft in Marokko, dat hij Marokkaanse tradities onderhoudt, dat hij de laatste jaren verschillende keren in Marokko is geweest en dat hij de taal Berbers beheerst. Er mag dan ook van uit worden gegaan dat eiser, met eventuele hulp van anderen, in staat zal zijn om in Marokko een bestaan op te bouwen. Eiser heeft zijn stelling van het tegendeel niet concreet onderbouwd.
Asiel- & Migrantenrecht2010/10, pagina’s 541-544. De rechtbank overweegt hierover dat ook na een langdurig verblijf een verblijfsrecht kan worden ingetrokken, mits sprake is van een ‘fair balance’ zoals hiervoor omschreven. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 1 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1503). In deze uitspraak is de voornoemde uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, vernietigd en wordt verwezen naar de toepasselijke jurisprudentie van het EHRM.
Z.Zh. en I.O.van 11 juni 2015 (ECLI:EU:C:2015:377).
Saber en Boughassavan 18 december 2018 (ECLI:CE:ECHR:2018:1218JUD007655013) en op de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:695). Dit kan eiser echter niet baten omdat het in die zaken niet gaat om de toepassing van het Unierechtelijke openbare ordecriterium. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder terecht tegen eiser een inreisverbod heeft uitgevaardigd.
JB2017/217,
AB2018/58 en
AB2018/90 maken dit niet anders. Dit beginsel is namelijk geen geldend recht en de betreffende uitspraken gaan niet over de intrekking van een verblijfsvergunning dan wel de uitvaardiging van een inreisverbod.