ECLI:NL:RVS:2022:2978
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking verblijfsvergunning en inreisverbod vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 2 september 2019 de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd van de vreemdeling ingetrokken, hem opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod opgelegd. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 30 april 2020 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 15 september 2021 het beroep ongegrond verklaarde.
De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelt dat het hoger beroep geen nieuwe vragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming, en bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank zonder nadere motivering.
De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond, bevestigt het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning en het inreisverbod, en bepaalt dat de staatssecretaris geen proceskosten hoeft te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de intrekking van de verblijfsvergunning en het inreisverbod zijn bevestigd.